Instapvraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

  1. \(\text{Nihad gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 120 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  2. \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  3. \(\text{Froukje heeft 3 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 88 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  4. \(\text{Maxim heeft 22 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 86 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  5. \(\text{Wouter heeft 52 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 52 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  6. \(\text{Sarah gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 45 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  7. \(\text{Ayman heeft 41 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 245 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\)
  8. \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  9. \(\text{Froukje heeft 7 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 41 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  10. \(\text{Maxim heeft 24 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 34 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  11. \(\text{Wouter heeft 32 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 236 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  12. \(\text{Mohamed heeft 29 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 173 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

Verbetersleutel

  1. \(\text{Nihad gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 120 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 5.x = 120 \\ \Leftrightarrow x = \frac{120}{5} = 24 \\ \text{Nihad legt 24 km af per tourke}\)
  2. \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 5.x = 1 \\ \Leftrightarrow x = \frac{1}{5} = 0.2 \\ \text{Sarah legt 0.2 km af per baantje}\)
  3. \(\text{Froukje heeft 3 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 88 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 3.x = 88 \\ \Leftrightarrow x = \frac{88}{3} = 29.33 \\ \text{Froukje kan maximaal 29.33 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  4. \(\text{Maxim heeft 22 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 86 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 22 = 86 \\ \Leftrightarrow x = 86 + 22 = 108 \\ \text{Maxim had 108 euro}\)
  5. \(\text{Wouter heeft 52 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 52 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 52 = 52 \\ \Leftrightarrow x = 52 + 52 = 104 \\ \text{Wouter had 104 euro}\)
  6. \(\text{Sarah gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 45 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 3.x = 45 \\ \Leftrightarrow x = \frac{45}{3} = 15 \\ \text{Sarah legt 15 km af per tourke}\)
  7. \(\text{Ayman heeft 41 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 245 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Ayman voor de aankoop} \\ x - 41 = 245 \\ \Leftrightarrow x = 245 + 41 = 286 \\ \text{Ayman had 286 euro}\)
  8. \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\ 3.x = 18 \\ \Leftrightarrow x = \frac{18}{3} = 6 \\ \text{Nihad legt 6 km af per ronde}\)
  9. \(\text{Froukje heeft 7 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 41 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 7.x = 41 \\ \Leftrightarrow x = \frac{41}{7} = 5.86 \\ \text{Froukje kan maximaal 5.86 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  10. \(\text{Maxim heeft 24 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 34 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 24 = 34 \\ \Leftrightarrow x = 34 + 24 = 58 \\ \text{Maxim had 58 euro}\)
  11. \(\text{Wouter heeft 32 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 236 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 32 = 236 \\ \Leftrightarrow x = 236 + 32 = 268 \\ \text{Wouter had 268 euro}\)
  12. \(\text{Mohamed heeft 29 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 173 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\ x - 29 = 173 \\ \Leftrightarrow x = 173 + 29 = 202 \\ \text{Mohamed had 202 euro}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-12 23:26:32
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen