Instapvraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

  1. \(\text{Nihad gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 12 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  2. \(\text{Loubna gaat 3 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  3. \(\text{Froukje heeft 5 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 77 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  4. \(\text{Jana gaat 4 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 60 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  5. \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 72 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  6. \(\text{Jana gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 2.1 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  7. \(\text{Wouter heeft 28 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 184 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  8. \(\text{Lina heeft 3 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 85 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  9. \(\text{Wouter heeft 34 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 277 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  10. \(\text{Froukje heeft 4 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 52 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  11. \(\text{Mohamed heeft 52 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 301 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)
  12. \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 2 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

Verbetersleutel

  1. \(\text{Nihad gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 12 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 6.x = 12 \\ \Leftrightarrow x = \frac{12}{6} = 2 \\ \text{Nihad legt 2 km af per rondje}\)
  2. \(\text{Loubna gaat 3 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\ 3.x = 18 \\ \Leftrightarrow x = \frac{18}{3} = 6 \\ \text{Loubna legt 6 km af per ronde}\)
  3. \(\text{Froukje heeft 5 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 77 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 5.x = 77 \\ \Leftrightarrow x = \frac{77}{5} = 15.4 \\ \text{Froukje kan maximaal 15.4 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  4. \(\text{Jana gaat 4 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 60 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 4.x = 60 \\ \Leftrightarrow x = \frac{60}{4} = 15 \\ \text{Jana legt 15 km af per tourke}\)
  5. \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 72 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 3.x = 72 \\ \Leftrightarrow x = \frac{72}{3} = 24 \\ \text{Nihad legt 24 km af per tourke}\)
  6. \(\text{Jana gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 2.1 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 6.x = 2.1 \\ \Leftrightarrow x = \frac{2.1}{6} = 0.35 \\ \text{Jana legt 0.35 km af per baantje}\)
  7. \(\text{Wouter heeft 28 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 184 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 28 = 184 \\ \Leftrightarrow x = 184 + 28 = 212 \\ \text{Wouter had 212 euro}\)
  8. \(\text{Lina heeft 3 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 85 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 3.x = 85 \\ \Leftrightarrow x = \frac{85}{3} = 28.33 \\ \text{Lina kan maximaal 28.33 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  9. \(\text{Wouter heeft 34 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 277 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 34 = 277 \\ \Leftrightarrow x = 277 + 34 = 311 \\ \text{Wouter had 311 euro}\)
  10. \(\text{Froukje heeft 4 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 52 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 4.x = 52 \\ \Leftrightarrow x = \frac{52}{4} = 13 \\ \text{Froukje kan maximaal 13 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  11. \(\text{Mohamed heeft 52 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 301 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\ x - 52 = 301 \\ \Leftrightarrow x = 301 + 52 = 353 \\ \text{Mohamed had 353 euro}\)
  12. \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 2 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 5.x = 2 \\ \Leftrightarrow x = \frac{2}{5} = 0.4 \\ \text{Sarah legt 0.4 km af per baantje}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-16 21:27:01
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen