Instapvraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

  1. \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  2. \(\text{Sarah gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 16 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  3. \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 90 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  4. \(\text{Wouter heeft 36 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 276 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  5. \(\text{Mila heeft 3 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 79 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
  6. \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  7. \(\text{Froukje heeft 7 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 63 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  8. \(\text{Maxim heeft 31 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 91 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  9. \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 9 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  10. \(\text{Nihad gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1.5 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  11. \(\text{Wouter heeft 22 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 41 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  12. \(\text{Warinda heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 52 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

Verbetersleutel

  1. \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 3.x = 36 \\ \Leftrightarrow x = \frac{36}{3} = 12 \\ \text{Jana legt 12 km af per tourke}\)
  2. \(\text{Sarah gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 16 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 4.x = 16 \\ \Leftrightarrow x = \frac{16}{4} = 4 \\ \text{Sarah legt 4 km af per rondje}\)
  3. \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 90 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 6.x = 90 \\ \Leftrightarrow x = \frac{90}{6} = 15 \\ \text{Sarah legt 15 km af per tourke}\)
  4. \(\text{Wouter heeft 36 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 276 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 36 = 276 \\ \Leftrightarrow x = 276 + 36 = 312 \\ \text{Wouter had 312 euro}\)
  5. \(\text{Mila heeft 3 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 79 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\ 3.x = 79 \\ \Leftrightarrow x = \frac{79}{3} = 26.33 \\ \text{Mila kan maximaal 26.33 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
  6. \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\ 6.x = 36 \\ \Leftrightarrow x = \frac{36}{6} = 6 \\ \text{Loubna legt 6 km af per ronde}\)
  7. \(\text{Froukje heeft 7 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 63 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 7.x = 63 \\ \Leftrightarrow x = \frac{63}{7} = 9 \\ \text{Froukje kan maximaal 9 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  8. \(\text{Maxim heeft 31 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 91 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 31 = 91 \\ \Leftrightarrow x = 91 + 31 = 122 \\ \text{Maxim had 122 euro}\)
  9. \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 9 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 3.x = 9 \\ \Leftrightarrow x = \frac{9}{3} = 3 \\ \text{Jana legt 3 km af per rondje}\)
  10. \(\text{Nihad gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1.5 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 6.x = 1.5 \\ \Leftrightarrow x = \frac{1.5}{6} = 0.25 \\ \text{Nihad legt 0.25 km af per baantje}\)
  11. \(\text{Wouter heeft 22 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 41 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 22 = 41 \\ \Leftrightarrow x = 41 + 22 = 63 \\ \text{Wouter had 63 euro}\)
  12. \(\text{Warinda heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 52 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\ 4.x = 52 \\ \Leftrightarrow x = \frac{52}{4} = 13 \\ \text{Warinda kan maximaal 13 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-01 01:57:13
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen