Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
- \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.75 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Nihad gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 120 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Loubna gaat 5 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 17.5 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Wouter heeft 35 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 270 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Mila heeft 5 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 87 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Loubna gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 45 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.5 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Warinda heeft 6 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 74 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Mila heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 64 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Mohamed heeft 48 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 56 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)
- \(\text{Jana gaat 4 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 20 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Wouter heeft 54 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 198 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
Verbetersleutel
- \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.75 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\
5.x = 1.75 \\
\Leftrightarrow x = \frac{1.75}{5} = 0.35 \\
\text{Sarah legt 0.35 km af per baantje}\)
- \(\text{Nihad gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 120 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
5.x = 120 \\
\Leftrightarrow x = \frac{120}{5} = 24 \\
\text{Nihad legt 24 km af per tourke}\)
- \(\text{Loubna gaat 5 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 17.5 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\
5.x = 17.5 \\
\Leftrightarrow x = \frac{17.5}{5} = 3.5 \\
\text{Loubna legt 3.5 km af per rondje}\)
- \(\text{Wouter heeft 35 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 270 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 35 = 270 \\
\Leftrightarrow x = 270 + 35 = 305 \\
\text{Wouter had 305 euro}\)
- \(\text{Mila heeft 5 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 87 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
5.x = 87 \\
\Leftrightarrow x = \frac{87}{5} = 17.4 \\
\text{Mila kan maximaal 17.4 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
- \(\text{Loubna gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 45 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
3.x = 45 \\
\Leftrightarrow x = \frac{45}{3} = 15 \\
\text{Loubna legt 15 km af per tourke}\)
- \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.5 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\
6.x = 1.5 \\
\Leftrightarrow x = \frac{1.5}{6} = 0.25 \\
\text{Loubna legt 0.25 km af per baantje}\)
- \(\text{Warinda heeft 6 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 74 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
6.x = 74 \\
\Leftrightarrow x = \frac{74}{6} = 12.33 \\
\text{Warinda kan maximaal 12.33 euro uitgeven aan een meter stof}\)
- \(\text{Mila heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 64 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
4.x = 64 \\
\Leftrightarrow x = \frac{64}{4} = 16 \\
\text{Mila kan maximaal 16 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
- \(\text{Mohamed heeft 48 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 56 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\
x - 48 = 56 \\
\Leftrightarrow x = 56 + 48 = 104 \\
\text{Mohamed had 104 euro}\)
- \(\text{Jana gaat 4 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 20 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\
4.x = 20 \\
\Leftrightarrow x = \frac{20}{4} = 5 \\
\text{Jana legt 5 km af per ronde}\)
- \(\text{Wouter heeft 54 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 198 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 54 = 198 \\
\Leftrightarrow x = 198 + 54 = 252 \\
\text{Wouter had 252 euro}\)