Instapvraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

  1. \(\text{Loubna gaat 5 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 25 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  2. \(\text{Maxim heeft 29 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 273 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  3. \(\text{Warinda heeft 3 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 48 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
  4. \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 72 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  5. \(\text{Wouter heeft 60 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 198 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  6. \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 0.75 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  7. \(\text{Mila heeft 7 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 77 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  8. \(\text{Mila heeft 3 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 78 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  9. \(\text{Wouter heeft 32 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 44 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  10. \(\text{Mohamed heeft 36 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 300 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)
  11. \(\text{Loubna gaat 5 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 12.5 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  12. \(\text{Sarah gaat 4 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 24 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

Verbetersleutel

  1. \(\text{Loubna gaat 5 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 25 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\ 5.x = 25 \\ \Leftrightarrow x = \frac{25}{5} = 5 \\ \text{Loubna legt 5 km af per ronde}\)
  2. \(\text{Maxim heeft 29 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 273 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 29 = 273 \\ \Leftrightarrow x = 273 + 29 = 302 \\ \text{Maxim had 302 euro}\)
  3. \(\text{Warinda heeft 3 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 48 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\ 3.x = 48 \\ \Leftrightarrow x = \frac{48}{3} = 16 \\ \text{Warinda kan maximaal 16 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
  4. \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 72 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 6.x = 72 \\ \Leftrightarrow x = \frac{72}{6} = 12 \\ \text{Loubna legt 12 km af per tourke}\)
  5. \(\text{Wouter heeft 60 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 198 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 60 = 198 \\ \Leftrightarrow x = 198 + 60 = 258 \\ \text{Wouter had 258 euro}\)
  6. \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 0.75 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 3.x = 0.75 \\ \Leftrightarrow x = \frac{0.75}{3} = 0.25 \\ \text{Jana legt 0.25 km af per baantje}\)
  7. \(\text{Mila heeft 7 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 77 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 7.x = 77 \\ \Leftrightarrow x = \frac{77}{7} = 11 \\ \text{Mila kan maximaal 11 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  8. \(\text{Mila heeft 3 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 78 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 3.x = 78 \\ \Leftrightarrow x = \frac{78}{3} = 26 \\ \text{Mila kan maximaal 26 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  9. \(\text{Wouter heeft 32 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 44 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 32 = 44 \\ \Leftrightarrow x = 44 + 32 = 76 \\ \text{Wouter had 76 euro}\)
  10. \(\text{Mohamed heeft 36 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 300 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\ x - 36 = 300 \\ \Leftrightarrow x = 300 + 36 = 336 \\ \text{Mohamed had 336 euro}\)
  11. \(\text{Loubna gaat 5 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 12.5 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 5.x = 12.5 \\ \Leftrightarrow x = \frac{12.5}{5} = 2.5 \\ \text{Loubna legt 2.5 km af per rondje}\)
  12. \(\text{Sarah gaat 4 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 24 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\ 4.x = 24 \\ \Leftrightarrow x = \frac{24}{4} = 6 \\ \text{Sarah legt 6 km af per ronde}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-12 15:18:46
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen