Instapvraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

  1. \(\text{Froukje heeft 6 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 42 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  2. \(\text{Nihad gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 12 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  3. \(\text{Maxim heeft 36 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 174 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  4. \(\text{Loubna gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 54 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  5. \(\text{Lina heeft 3 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 62 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  6. \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 2.4 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  7. \(\text{Wouter heeft 52 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 328 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  8. \(\text{Lina heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 64 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  9. \(\text{Wouter heeft 34 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 39 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  10. \(\text{Wouter heeft 41 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 197 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  11. \(\text{Jana gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 120 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  12. \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 14 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

Verbetersleutel

  1. \(\text{Froukje heeft 6 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 42 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 6.x = 42 \\ \Leftrightarrow x = \frac{42}{6} = 7 \\ \text{Froukje kan maximaal 7 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  2. \(\text{Nihad gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 12 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 4.x = 12 \\ \Leftrightarrow x = \frac{12}{4} = 3 \\ \text{Nihad legt 3 km af per rondje}\)
  3. \(\text{Maxim heeft 36 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 174 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 36 = 174 \\ \Leftrightarrow x = 174 + 36 = 210 \\ \text{Maxim had 210 euro}\)
  4. \(\text{Loubna gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 54 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 3.x = 54 \\ \Leftrightarrow x = \frac{54}{3} = 18 \\ \text{Loubna legt 18 km af per tourke}\)
  5. \(\text{Lina heeft 3 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 62 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 3.x = 62 \\ \Leftrightarrow x = \frac{62}{3} = 20.67 \\ \text{Lina kan maximaal 20.67 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  6. \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 2.4 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 6.x = 2.4 \\ \Leftrightarrow x = \frac{2.4}{6} = 0.4 \\ \text{Sarah legt 0.4 km af per baantje}\)
  7. \(\text{Wouter heeft 52 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 328 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 52 = 328 \\ \Leftrightarrow x = 328 + 52 = 380 \\ \text{Wouter had 380 euro}\)
  8. \(\text{Lina heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 64 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 4.x = 64 \\ \Leftrightarrow x = \frac{64}{4} = 16 \\ \text{Lina kan maximaal 16 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  9. \(\text{Wouter heeft 34 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 39 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 34 = 39 \\ \Leftrightarrow x = 39 + 34 = 73 \\ \text{Wouter had 73 euro}\)
  10. \(\text{Wouter heeft 41 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 197 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 41 = 197 \\ \Leftrightarrow x = 197 + 41 = 238 \\ \text{Wouter had 238 euro}\)
  11. \(\text{Jana gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 120 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 5.x = 120 \\ \Leftrightarrow x = \frac{120}{5} = 24 \\ \text{Jana legt 24 km af per tourke}\)
  12. \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 14 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 4.x = 14 \\ \Leftrightarrow x = \frac{14}{4} = 3.5 \\ \text{Loubna legt 3.5 km af per rondje}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-23 01:55:26
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen