Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
- \(\text{Maxim heeft 52 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 257 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
- \(\text{Froukje heeft 4 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 58 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Lina heeft 6 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 85 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Sarah gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 63 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Mohamed heeft 48 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 117 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)
- \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 14 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Lina heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 36 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Ayman heeft 49 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 47 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\)
- \(\text{Maxim heeft 29 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 103 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
- \(\text{Maxim heeft 41 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 207 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
- \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 12 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 24 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
Verbetersleutel
- \(\text{Maxim heeft 52 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 257 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\
x - 52 = 257 \\
\Leftrightarrow x = 257 + 52 = 309 \\
\text{Maxim had 309 euro}\)
- \(\text{Froukje heeft 4 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 58 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
4.x = 58 \\
\Leftrightarrow x = \frac{58}{4} = 14.5 \\
\text{Froukje kan maximaal 14.5 euro uitgeven aan een meter stof}\)
- \(\text{Lina heeft 6 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 85 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
6.x = 85 \\
\Leftrightarrow x = \frac{85}{6} = 14.17 \\
\text{Lina kan maximaal 14.17 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Sarah gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 63 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
3.x = 63 \\
\Leftrightarrow x = \frac{63}{3} = 21 \\
\text{Sarah legt 21 km af per tourke}\)
- \(\text{Mohamed heeft 48 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 117 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\
x - 48 = 117 \\
\Leftrightarrow x = 117 + 48 = 165 \\
\text{Mohamed had 165 euro}\)
- \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 14 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\
4.x = 14 \\
\Leftrightarrow x = \frac{14}{4} = 3.5 \\
\text{Loubna legt 3.5 km af per rondje}\)
- \(\text{Lina heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 36 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
5.x = 36 \\
\Leftrightarrow x = \frac{36}{5} = 7.2 \\
\text{Lina kan maximaal 7.2 euro uitgeven aan een meter stof}\)
- \(\text{Ayman heeft 49 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 47 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Ayman voor de aankoop} \\
x - 49 = 47 \\
\Leftrightarrow x = 47 + 49 = 96 \\
\text{Ayman had 96 euro}\)
- \(\text{Maxim heeft 29 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 103 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\
x - 29 = 103 \\
\Leftrightarrow x = 103 + 29 = 132 \\
\text{Maxim had 132 euro}\)
- \(\text{Maxim heeft 41 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 207 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\
x - 41 = 207 \\
\Leftrightarrow x = 207 + 41 = 248 \\
\text{Maxim had 248 euro}\)
- \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 12 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\
3.x = 12 \\
\Leftrightarrow x = \frac{12}{3} = 4 \\
\text{Jana legt 4 km af per ronde}\)
- \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 24 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\
6.x = 24 \\
\Leftrightarrow x = \frac{24}{6} = 4 \\
\text{Sarah legt 4 km af per rondje}\)