Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
- \(\text{Warinda heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 53 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 9 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Wouter heeft 49 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 295 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Nihad gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 108 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Jana gaat 4 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 0.8 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Ayman heeft 60 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 332 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\)
- \(\text{Ayman heeft 33 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 40 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\)
- \(\text{Wouter heeft 43 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 184 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Maxim heeft 27 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 132 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
- \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 40 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Lina heeft 3 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 58 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
Verbetersleutel
- \(\text{Warinda heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 53 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
4.x = 53 \\
\Leftrightarrow x = \frac{53}{4} = 13.25 \\
\text{Warinda kan maximaal 13.25 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
- \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 9 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\
3.x = 9 \\
\Leftrightarrow x = \frac{9}{3} = 3 \\
\text{Nihad legt 3 km af per rondje}\)
- \(\text{Wouter heeft 49 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 295 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 49 = 295 \\
\Leftrightarrow x = 295 + 49 = 344 \\
\text{Wouter had 344 euro}\)
- \(\text{Nihad gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 108 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
6.x = 108 \\
\Leftrightarrow x = \frac{108}{6} = 18 \\
\text{Nihad legt 18 km af per tourke}\)
- \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
3.x = 36 \\
\Leftrightarrow x = \frac{36}{3} = 12 \\
\text{Jana legt 12 km af per tourke}\)
- \(\text{Jana gaat 4 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 0.8 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\
4.x = 0.8 \\
\Leftrightarrow x = \frac{0.8}{4} = 0.2 \\
\text{Jana legt 0.2 km af per baantje}\)
- \(\text{Ayman heeft 60 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 332 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Ayman voor de aankoop} \\
x - 60 = 332 \\
\Leftrightarrow x = 332 + 60 = 392 \\
\text{Ayman had 392 euro}\)
- \(\text{Ayman heeft 33 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 40 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Ayman voor de aankoop} \\
x - 33 = 40 \\
\Leftrightarrow x = 40 + 33 = 73 \\
\text{Ayman had 73 euro}\)
- \(\text{Wouter heeft 43 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 184 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 43 = 184 \\
\Leftrightarrow x = 184 + 43 = 227 \\
\text{Wouter had 227 euro}\)
- \(\text{Maxim heeft 27 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 132 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\
x - 27 = 132 \\
\Leftrightarrow x = 132 + 27 = 159 \\
\text{Maxim had 159 euro}\)
- \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 40 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\
5.x = 40 \\
\Leftrightarrow x = \frac{40}{5} = 8 \\
\text{Sarah legt 8 km af per ronde}\)
- \(\text{Lina heeft 3 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 58 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
3.x = 58 \\
\Leftrightarrow x = \frac{58}{3} = 19.33 \\
\text{Lina kan maximaal 19.33 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)