Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
- \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 21 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Froukje heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 76 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Mila heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 62 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 45 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Wouter heeft 45 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 178 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Ayman heeft 30 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 152 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\)
- \(\text{Nihad gaat 5 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 20 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Ayman heeft 37 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 331 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\)
- \(\text{Lina heeft 6 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 42 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 88 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.5 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Lina heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 71 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
Verbetersleutel
- \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 21 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\
3.x = 21 \\
\Leftrightarrow x = \frac{21}{3} = 7 \\
\text{Jana legt 7 km af per ronde}\)
- \(\text{Froukje heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 76 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
4.x = 76 \\
\Leftrightarrow x = \frac{76}{4} = 19 \\
\text{Froukje kan maximaal 19 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Mila heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 62 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
5.x = 62 \\
\Leftrightarrow x = \frac{62}{5} = 12.4 \\
\text{Mila kan maximaal 12.4 euro uitgeven aan een meter stof}\)
- \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 45 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
3.x = 45 \\
\Leftrightarrow x = \frac{45}{3} = 15 \\
\text{Nihad legt 15 km af per tourke}\)
- \(\text{Wouter heeft 45 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 178 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 45 = 178 \\
\Leftrightarrow x = 178 + 45 = 223 \\
\text{Wouter had 223 euro}\)
- \(\text{Ayman heeft 30 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 152 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Ayman voor de aankoop} \\
x - 30 = 152 \\
\Leftrightarrow x = 152 + 30 = 182 \\
\text{Ayman had 182 euro}\)
- \(\text{Nihad gaat 5 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 20 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\
5.x = 20 \\
\Leftrightarrow x = \frac{20}{5} = 4 \\
\text{Nihad legt 4 km af per ronde}\)
- \(\text{Ayman heeft 37 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 331 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Ayman voor de aankoop} \\
x - 37 = 331 \\
\Leftrightarrow x = 331 + 37 = 368 \\
\text{Ayman had 368 euro}\)
- \(\text{Lina heeft 6 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 42 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
6.x = 42 \\
\Leftrightarrow x = \frac{42}{6} = 7 \\
\text{Lina kan maximaal 7 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 88 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
4.x = 88 \\
\Leftrightarrow x = \frac{88}{4} = 22 \\
\text{Warinda kan maximaal 22 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
- \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.5 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\
6.x = 1.5 \\
\Leftrightarrow x = \frac{1.5}{6} = 0.25 \\
\text{Sarah legt 0.25 km af per baantje}\)
- \(\text{Lina heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 71 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
5.x = 71 \\
\Leftrightarrow x = \frac{71}{5} = 14.2 \\
\text{Lina kan maximaal 14.2 euro uitgeven aan een meter stof}\)