Instapvraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

  1. \(\text{Lina heeft 3 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 78 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  2. \(\text{Warinda heeft 7 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 75 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  3. \(\text{Maxim heeft 47 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 122 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  4. \(\text{Maxim heeft 53 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 94 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  5. \(\text{Mila heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 79 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  6. \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 16 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  7. \(\text{Lina heeft 5 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 39 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  8. \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 72 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  9. \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1.5 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  10. \(\text{Jana gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 60 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  11. \(\text{Warinda heeft 7 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 66 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
  12. \(\text{Wouter heeft 28 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 79 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

Verbetersleutel

  1. \(\text{Lina heeft 3 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 78 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 3.x = 78 \\ \Leftrightarrow x = \frac{78}{3} = 26 \\ \text{Lina kan maximaal 26 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  2. \(\text{Warinda heeft 7 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 75 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 7.x = 75 \\ \Leftrightarrow x = \frac{75}{7} = 10.71 \\ \text{Warinda kan maximaal 10.71 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  3. \(\text{Maxim heeft 47 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 122 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 47 = 122 \\ \Leftrightarrow x = 122 + 47 = 169 \\ \text{Maxim had 169 euro}\)
  4. \(\text{Maxim heeft 53 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 94 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 53 = 94 \\ \Leftrightarrow x = 94 + 53 = 147 \\ \text{Maxim had 147 euro}\)
  5. \(\text{Mila heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 79 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 5.x = 79 \\ \Leftrightarrow x = \frac{79}{5} = 15.8 \\ \text{Mila kan maximaal 15.8 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  6. \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 16 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 4.x = 16 \\ \Leftrightarrow x = \frac{16}{4} = 4 \\ \text{Loubna legt 4 km af per rondje}\)
  7. \(\text{Lina heeft 5 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 39 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 5.x = 39 \\ \Leftrightarrow x = \frac{39}{5} = 7.8 \\ \text{Lina kan maximaal 7.8 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  8. \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 72 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 4.x = 72 \\ \Leftrightarrow x = \frac{72}{4} = 18 \\ \text{Loubna legt 18 km af per tourke}\)
  9. \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1.5 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 5.x = 1.5 \\ \Leftrightarrow x = \frac{1.5}{5} = 0.3 \\ \text{Sarah legt 0.3 km af per baantje}\)
  10. \(\text{Jana gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 60 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 5.x = 60 \\ \Leftrightarrow x = \frac{60}{5} = 12 \\ \text{Jana legt 12 km af per tourke}\)
  11. \(\text{Warinda heeft 7 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 66 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\ 7.x = 66 \\ \Leftrightarrow x = \frac{66}{7} = 9.43 \\ \text{Warinda kan maximaal 9.43 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
  12. \(\text{Wouter heeft 28 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 79 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 28 = 79 \\ \Leftrightarrow x = 79 + 28 = 107 \\ \text{Wouter had 107 euro}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-31 03:09:58
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen