Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
- \(\text{Froukje heeft 6 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 52 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Wouter heeft 49 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 62 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Mohamed heeft 41 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 305 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)
- \(\text{Jana gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 21 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 144 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 81 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Maxim heeft 44 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 139 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 75 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Mila heeft 3 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 38 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 85 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 60 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Lina heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 61 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
Verbetersleutel
- \(\text{Froukje heeft 6 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 52 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
6.x = 52 \\
\Leftrightarrow x = \frac{52}{6} = 8.67 \\
\text{Froukje kan maximaal 8.67 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Wouter heeft 49 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 62 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 49 = 62 \\
\Leftrightarrow x = 62 + 49 = 111 \\
\text{Wouter had 111 euro}\)
- \(\text{Mohamed heeft 41 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 305 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\
x - 41 = 305 \\
\Leftrightarrow x = 305 + 41 = 346 \\
\text{Mohamed had 346 euro}\)
- \(\text{Jana gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 21 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\
6.x = 21 \\
\Leftrightarrow x = \frac{21}{6} = 3.5 \\
\text{Jana legt 3.5 km af per rondje}\)
- \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 144 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
6.x = 144 \\
\Leftrightarrow x = \frac{144}{6} = 24 \\
\text{Loubna legt 24 km af per tourke}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 81 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
4.x = 81 \\
\Leftrightarrow x = \frac{81}{4} = 20.25 \\
\text{Warinda kan maximaal 20.25 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Maxim heeft 44 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 139 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\
x - 44 = 139 \\
\Leftrightarrow x = 139 + 44 = 183 \\
\text{Maxim had 183 euro}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 75 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
4.x = 75 \\
\Leftrightarrow x = \frac{75}{4} = 18.75 \\
\text{Warinda kan maximaal 18.75 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
- \(\text{Mila heeft 3 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 38 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
3.x = 38 \\
\Leftrightarrow x = \frac{38}{3} = 12.67 \\
\text{Mila kan maximaal 12.67 euro uitgeven aan een meter stof}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 85 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
4.x = 85 \\
\Leftrightarrow x = \frac{85}{4} = 21.25 \\
\text{Warinda kan maximaal 21.25 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Sarah gaat 5 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 60 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
5.x = 60 \\
\Leftrightarrow x = \frac{60}{5} = 12 \\
\text{Sarah legt 12 km af per tourke}\)
- \(\text{Lina heeft 5 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 61 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
5.x = 61 \\
\Leftrightarrow x = \frac{61}{5} = 12.2 \\
\text{Lina kan maximaal 12.2 euro uitgeven aan een meter stof}\)