Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
- \(\text{Wouter heeft 27 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 79 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Mohamed heeft 55 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 203 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)
- \(\text{Ayman heeft 44 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 82 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\)
- \(\text{Mila heeft 6 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 56 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Lina heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 86 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Jana gaat 4 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.6 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Mila heeft 7 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 81 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Warinda heeft 3 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 87 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.2 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Mila heeft 5 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 56 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Sarah gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 63 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
Verbetersleutel
- \(\text{Wouter heeft 27 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 79 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 27 = 79 \\
\Leftrightarrow x = 79 + 27 = 106 \\
\text{Wouter had 106 euro}\)
- \(\text{Mohamed heeft 55 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 203 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\
x - 55 = 203 \\
\Leftrightarrow x = 203 + 55 = 258 \\
\text{Mohamed had 258 euro}\)
- \(\text{Ayman heeft 44 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 82 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Ayman voor de aankoop} \\
x - 44 = 82 \\
\Leftrightarrow x = 82 + 44 = 126 \\
\text{Ayman had 126 euro}\)
- \(\text{Mila heeft 6 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 56 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
6.x = 56 \\
\Leftrightarrow x = \frac{56}{6} = 9.33 \\
\text{Mila kan maximaal 9.33 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
- \(\text{Lina heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 86 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
4.x = 86 \\
\Leftrightarrow x = \frac{86}{4} = 21.5 \\
\text{Lina kan maximaal 21.5 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Jana gaat 4 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.6 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\
4.x = 1.6 \\
\Leftrightarrow x = \frac{1.6}{4} = 0.4 \\
\text{Jana legt 0.4 km af per baantje}\)
- \(\text{Mila heeft 7 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 81 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
7.x = 81 \\
\Leftrightarrow x = \frac{81}{7} = 11.57 \\
\text{Mila kan maximaal 11.57 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
- \(\text{Warinda heeft 3 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 87 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
3.x = 87 \\
\Leftrightarrow x = \frac{87}{3} = 29 \\
\text{Warinda kan maximaal 29 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
- \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week zwemmen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 1.2 km gezwommen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\
4.x = 1.2 \\
\Leftrightarrow x = \frac{1.2}{4} = 0.3 \\
\text{Loubna legt 0.3 km af per baantje}\)
- \(\text{Mila heeft 5 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 56 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
5.x = 56 \\
\Leftrightarrow x = \frac{56}{5} = 11.2 \\
\text{Mila kan maximaal 11.2 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km geschaatst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\
6.x = 18 \\
\Leftrightarrow x = \frac{18}{6} = 3 \\
\text{Loubna legt 3 km af per rondje}\)
- \(\text{Sarah gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 63 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
3.x = 63 \\
\Leftrightarrow x = \frac{63}{3} = 21 \\
\text{Sarah legt 21 km af per tourke}\)