Eenvoudige vraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Vertaal naar een wiskundige vergelijking. Los op door gebruik te maken van het stappenplan.

  1. \(\)Wietse is x jaar. Zijn zus is 4 jaar ouder. Samen zijn ze 28 jaar. Hoe oud is Wietse ?\(\)
  2. \(\) het verschil van het zesvoud van een getal en vijf is gelijk aan de som van een vierde van het getal en 156. Wat is het getal?\(\)
  3. \(\)als je een vierde van een getal aftrekt van een helft van dat getal, dan krijg je 3 . Wat is dat getal? \(\)
  4. \(\)als je een elfde van een getal aftrekt van een vijfde van dat getal, dan krijg je 30 . Wat is dat getal? \(\)
  5. \(\)als je een getal vermindert met 35 bekom je -19. Wat is het getal?\(\)
  6. \(\)als je een vijfde van een getal aftrekt van een helft van dat getal, dan krijg je 9 . Wat is dat getal? \(\)
  7. \(\) het verschil van het drievoud van een getal en vier is gelijk aan de som van een derde van het getal en 36. Wat is het getal?\(\)
  8. \(\)als je een tiende van een getal aftrekt van een derde van dat getal, dan krijg je 14 . Wat is dat getal? \(\)
  9. \(\)als je een negende van een getal aftrekt van een vierde van dat getal, dan krijg je 25 . Wat is dat getal? \(\)
  10. \(\)als je een zevende van een getal aftrekt van een vijfde van dat getal, dan krijg je 10 . Wat is dat getal? \(\)
  11. \(\)je betaalt 35 eurocent voor een zakje chips. De kassierster geeft je 2 eurocent terug. Hoeveel kost een zakje chips ?\(\)
  12. \(\)als je een zesde van een getal aftrekt van een helft van dat getal, dan krijg je 6 . Wat is dat getal? \(\)

Vertaal naar een wiskundige vergelijking. Los op door gebruik te maken van het stappenplan.

Verbetersleutel

  1. \(x+x+4 = 28\Leftrightarrow 2x+4=28 \Leftrightarrow 2x = 24\Leftrightarrow x = 12 \text{ Wietse is 12 jaar}\)
  2. \( 6 x-5=\frac{x}{4}+156 \overset{\mbox{ .4 }}{ \Leftrightarrow } 24x-20=x+624 \Leftrightarrow 24x-x=624+20 \Leftrightarrow 23x=644 \Leftrightarrow x=28\)
  3. \( \frac{1}{2}x-\frac{1}{4}x=3 \overset{\mbox{ .4 }}{ \Leftrightarrow } 2x-1x=12 \Leftrightarrow 1x=12 \Leftrightarrow x=12\)
  4. \( \frac{1}{5}x-\frac{1}{11}x=30 \overset{\mbox{ .55 }}{ \Leftrightarrow } 11x-5x=1650 \Leftrightarrow 6x=1650 \Leftrightarrow x=275\)
  5. \(x-35 = -19\Leftrightarrow x=-19+ 35 \Leftrightarrow x = 16\)
  6. \( \frac{1}{2}x-\frac{1}{5}x=9 \overset{\mbox{ .10 }}{ \Leftrightarrow } 5x-2x=90 \Leftrightarrow 3x=90 \Leftrightarrow x=30\)
  7. \( 3 x-4=\frac{x}{3}+36 \overset{\mbox{ .3 }}{ \Leftrightarrow } 9x-12=x+108 \Leftrightarrow 9x-x=108+12 \Leftrightarrow 8x=120 \Leftrightarrow x=15\)
  8. \( \frac{1}{3}x-\frac{1}{10}x=14 \overset{\mbox{ .30 }}{ \Leftrightarrow } 10x-3x=420 \Leftrightarrow 7x=420 \Leftrightarrow x=60\)
  9. \( \frac{1}{4}x-\frac{1}{9}x=25 \overset{\mbox{ .36 }}{ \Leftrightarrow } 9x-4x=900 \Leftrightarrow 5x=900 \Leftrightarrow x=180\)
  10. \( \frac{1}{5}x-\frac{1}{7}x=10 \overset{\mbox{ .35 }}{ \Leftrightarrow } 7x-5x=350 \Leftrightarrow 2x=350 \Leftrightarrow x=175\)
  11. \(x=35 - 2 \Leftrightarrow x=33\)
  12. \( \frac{1}{2}x-\frac{1}{6}x=6 \overset{\mbox{ .6 }}{ \Leftrightarrow } 3x-1x=36 \Leftrightarrow 2x=36 \Leftrightarrow x=18\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-21 10:11:51
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen