Instapvraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

  1. \(\text{Mila heeft 3 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 41 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  2. \(\text{Loubna gaat 3 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 12 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  3. \(\text{Wouter heeft 36 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 37 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
  4. \(\text{Mila heeft 7 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 37 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  5. \(\text{Mila heeft 6 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 40 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
  6. \(\text{Mila heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 73 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  7. \(\text{Froukje heeft 6 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 86 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
  8. \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 20 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  9. \(\text{Sarah gaat 3 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1.05 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  10. \(\text{Maxim heeft 50 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 222 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  11. \(\text{Mohamed heeft 25 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 309 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)
  12. \(\text{Maxim heeft 24 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 49 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

Verbetersleutel

  1. \(\text{Mila heeft 3 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 41 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 3.x = 41 \\ \Leftrightarrow x = \frac{41}{3} = 13.67 \\ \text{Mila kan maximaal 13.67 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  2. \(\text{Loubna gaat 3 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 12 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 3.x = 12 \\ \Leftrightarrow x = \frac{12}{3} = 4 \\ \text{Loubna legt 4 km af per rondje}\)
  3. \(\text{Wouter heeft 36 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 37 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\ x - 36 = 37 \\ \Leftrightarrow x = 37 + 36 = 73 \\ \text{Wouter had 73 euro}\)
  4. \(\text{Mila heeft 7 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 37 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 7.x = 37 \\ \Leftrightarrow x = \frac{37}{7} = 5.29 \\ \text{Mila kan maximaal 5.29 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  5. \(\text{Mila heeft 6 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 40 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\ 6.x = 40 \\ \Leftrightarrow x = \frac{40}{6} = 6.67 \\ \text{Mila kan maximaal 6.67 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
  6. \(\text{Mila heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 73 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 4.x = 73 \\ \Leftrightarrow x = \frac{73}{4} = 18.25 \\ \text{Mila kan maximaal 18.25 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  7. \(\text{Froukje heeft 6 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 86 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\ 6.x = 86 \\ \Leftrightarrow x = \frac{86}{6} = 14.33 \\ \text{Froukje kan maximaal 14.33 euro uitgeven aan een meter stof}\)
  8. \(\text{Loubna gaat 4 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 20 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\ 4.x = 20 \\ \Leftrightarrow x = \frac{20}{4} = 5 \\ \text{Loubna legt 5 km af per ronde}\)
  9. \(\text{Sarah gaat 3 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1.05 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 3.x = 1.05 \\ \Leftrightarrow x = \frac{1.05}{3} = 0.35 \\ \text{Sarah legt 0.35 km af per baantje}\)
  10. \(\text{Maxim heeft 50 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 222 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 50 = 222 \\ \Leftrightarrow x = 222 + 50 = 272 \\ \text{Maxim had 272 euro}\)
  11. \(\text{Mohamed heeft 25 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 309 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\ x - 25 = 309 \\ \Leftrightarrow x = 309 + 25 = 334 \\ \text{Mohamed had 334 euro}\)
  12. \(\text{Maxim heeft 24 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 49 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 24 = 49 \\ \Leftrightarrow x = 49 + 24 = 73 \\ \text{Maxim had 73 euro}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-29 15:04:37
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen