Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
- \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Lina heeft 6 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 51 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Mila heeft 7 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 44 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 30 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 48 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\)
- \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 24 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Mila heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 86 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\)
- \(\text{Wouter heeft 50 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 189 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Wouter heeft 43 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 40 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Wouter heeft 52 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 107 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\)
- \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
- \(\text{Lina heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 55 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.
Verbetersleutel
- \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
3.x = 36 \\
\Leftrightarrow x = \frac{36}{3} = 12 \\
\text{Nihad legt 12 km af per tourke}\)
- \(\text{Lina heeft 6 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 51 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
6.x = 51 \\
\Leftrightarrow x = \frac{51}{6} = 8.5 \\
\text{Lina kan maximaal 8.5 euro uitgeven aan een meter stof}\)
- \(\text{Mila heeft 7 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 44 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
7.x = 44 \\
\Leftrightarrow x = \frac{44}{7} = 6.29 \\
\text{Mila kan maximaal 6.29 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 30 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\
6.x = 30 \\
\Leftrightarrow x = \frac{30}{6} = 5 \\
\text{Loubna legt 5 km af per ronde}\)
- \(\text{Warinda heeft 4 meter stof nodig om een kleedje te maken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 48 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de stof per meter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per stof} \\
4.x = 48 \\
\Leftrightarrow x = \frac{48}{4} = 12 \\
\text{Warinda kan maximaal 12 euro uitgeven aan een meter stof}\)
- \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week lopen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 24 km gelopen.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\
3.x = 24 \\
\Leftrightarrow x = \frac{24}{3} = 8 \\
\text{Nihad legt 8 km af per ronde}\)
- \(\text{Mila heeft 4 gram chocolade nodig om chocoladecakes te bakken.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 86 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de chocolade per gram maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per chocolade} \\
4.x = 86 \\
\Leftrightarrow x = \frac{86}{4} = 21.5 \\
\text{Mila kan maximaal 21.5 euro uitgeven aan een gram chocolade}\)
- \(\text{Wouter heeft 50 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 189 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 50 = 189 \\
\Leftrightarrow x = 189 + 50 = 239 \\
\text{Wouter had 239 euro}\)
- \(\text{Wouter heeft 43 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 40 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 43 = 40 \\
\Leftrightarrow x = 40 + 43 = 83 \\
\text{Wouter had 83 euro}\)
- \(\text{Wouter heeft 52 euro uitgegeven aan een kerstcadeau voor een vriendin.} \\ \text{Er is nu nog 107 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Wouter voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Wouter voor de aankoop} \\
x - 52 = 107 \\
\Leftrightarrow x = 107 + 52 = 159 \\
\text{Wouter had 159 euro}\)
- \(\text{Jana gaat 3 dagen in de week fietsen.} \\
\text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\
\text{Aan het einde van de week heeft ze 36 km gefietst.} \\
\text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\
3.x = 36 \\
\Leftrightarrow x = \frac{36}{3} = 12 \\
\text{Jana legt 12 km af per tourke}\)
- \(\text{Lina heeft 4 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\
\text{Ze heeft een budget van maximaal 55 euro.} \\
\text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\
4.x = 55 \\
\Leftrightarrow x = \frac{55}{4} = 13.75 \\
\text{Lina kan maximaal 13.75 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)