Reken uit
- \(\)In een doos met 384 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 900 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 147 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 405 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{8}\times 384=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{5}{7}\times 168=75\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{9}\times 900=70\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{3}\times 147=56\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{6}{9}\times 270=36\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{5}\times 240=80\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{1}{5}\times 225=10\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{5}\times 180=27\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{6}{9}\times 405=240\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{6}\times 324=27\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{6}{9}\times 270=60\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{3}\times 144=24\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)