Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 192 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 630 dozen zijn \(\frac{3}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 100 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 576 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 252 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 252 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 80 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{3}\times 192=32\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{9}\times\frac{4}{7}\times 630=120\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{9}{10}\times 120=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{6}{7}\times\frac{4}{5}\times 280=192\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{5}\times 100=45\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{3}\times 210=7\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{8}\times 576=180\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{7}\times 252=9\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{6}\times 252=112\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{4}\times 80=30\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{4}\times 320=20\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{8}\times 240=10\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-03 12:09:01
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen