Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 256 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 140 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 72 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 384 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 300 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{8}\times 256=28\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{5}\times 140=56\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{3}\times 72=6\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{3}\times 120=16\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{4}{7}\times\frac{5}{6}\times 168=80\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{4}\times 120=40\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{1}{8}\times\frac{4}{6}\times 384=32\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{5}\times 360=9\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{3}\times 162=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{10}\times 630=98\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{4}\times 324=108\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{6}{10}\times\frac{5}{6}\times 300=150\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-31 13:48:50
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen