Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 189 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 350 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 432 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{4}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 81 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{7}\times 189=18\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{3}\times 96=16\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{5}\times 350=60\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{4}{8}\times\frac{5}{6}\times 432=180\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{1}{10}\times\frac{2}{9}\times 630=14\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{4}\times 280=40\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{5}{8}\times\frac{6}{7}\times 504=270\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{8}\times 240=15\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{2}{9}\times\frac{3}{7}\times 189=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 81=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{4}\times 180=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{6}\times 120=32\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-20 01:10:47
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen