Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{3}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 384 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 1000 werknemers zijn \(\frac{8}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 294 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 320 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 100 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 288 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{3}\times 96=48\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{3}{6}\times\frac{3}{5}\times 240=72\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{4}{8}\times\frac{4}{8}\times 384=96\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{10}\times 1000=80\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{4}\times 360=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{7}{10}\times\frac{4}{6}\times 300=140\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{7}\times 294=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  8. \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{8}\times 320=16\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{4}\times 100=40\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{4}\times 96=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{5}\times 150=9\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{8}\times 288=9\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-27 14:13:39
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen