Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{2}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 72 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{5}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 810 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 384 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 441 leerlingen zijn \(\frac{5}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{10}\times\frac{6}{10}\times 400=48\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 72=6\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  3. \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{8}\times 240=30\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{7}{9}\times\frac{4}{10}\times 810=252\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{5}\times 270=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{8}\times 384=36\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{6}\times 144=16\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 150=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{3}{6}\times\frac{6}{7}\times 210=90\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{8}\times 120=35\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{9}\times 720=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{9}\times 441=105\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-23 21:50:39
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen