Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 63 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 432 werknemers zijn \(\frac{5}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{1}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 540 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 350 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 392 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{8}\times\frac{6}{10}\times 240=54\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 63=7\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{6}\times 270=36\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{5}{8}\times\frac{8}{9}\times 432=240\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{1}{10}\times\frac{3}{4}\times 120=9\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{9}\times 540=80\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{3}\times 120=25\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{3}\times 105=50\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  9. \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{5}\times 350=28\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{5}\times 240=36\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{10}\times 270=54\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{8}\times 392=14\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-24 17:40:36
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen