Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 576 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 162 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 600 dozen zijn \(\frac{9}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{8}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 378 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 196 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 72 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 420 leerlingen zijn \(\frac{5}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 48 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{9}\times\frac{5}{8}\times 576=200\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{6}\times 162=24\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{9}{10}\times\frac{4}{10}\times 600=216\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{10}\times 240=18\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{3}\times 210=56\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{7}\times 378=45\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{7}\times\frac{6}{7}\times 196=24\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{2}{8}\times\frac{5}{7}\times 504=90\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{8}{10}\times\frac{3}{9}\times 270=72\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{6}\times 72=27\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{10}\times 420=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{4}\times 48=16\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-08 10:15:30
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen