Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 441 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 48 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 196 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 60 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 400 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{7}\times 441=90\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{4}\times 48=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{7}\times 196=14\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{8}\times 192=24\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{3}\times 60=10\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{8}{9}\times 324=128\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{4}{5}\times 400=224\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{6}\times 120=64\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{5}\times 280=72\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{5}\times 200=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{1}{6}\times 378=14\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{4}{5}\times 280=28\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)