Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 84 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 54 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 392 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 256 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 80 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 400 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 225 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{7}\times 126=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{1}{6}\times\frac{5}{6}\times 360=50\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{3}\times 84=4\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 54=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{1}{5}\times\frac{6}{10}\times 300=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{6}{7}\times\frac{4}{7}\times 392=192\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{8}\times 256=80\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{4}\times 80=12\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{4}\times 96=16\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{4}\times 160=60\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{8}\times 400=90\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{5}\times 225=60\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-15 12:12:00
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen