Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 128 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 405 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 405 dozen zijn \(\frac{4}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 81 dozen zijn \(\frac{3}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 640 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 560 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{8}\times\frac{3}{4}\times 128=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{10}\times 150=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{2}{9}\times\frac{8}{9}\times 405=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{5}\times 140=16\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{5}\times 405=108\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{8}\times 360=18\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{6}\times 150=30\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{3}{9}\times\frac{1}{4}\times 216=18\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{3}{9}\times\frac{1}{3}\times 81=9\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{6}{10}\times\frac{7}{9}\times 630=294\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{5}{8}\times\frac{7}{10}\times 640=280\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{8}\times 560=147\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-19 15:58:31
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen