Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 810 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 162 dozen zijn \(\frac{4}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 189 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 128 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{4}\times\frac{6}{8}\times 160=30\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{6}{9}\times\frac{6}{9}\times 810=360\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{6}\times 162=12\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{7}\times 210=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{1}{6}\times\frac{5}{8}\times 240=25\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{10}\times 280=8\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{9}{10}\times\frac{3}{6}\times 240=108\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{10}\times 150=50\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{1}{5}\times\frac{7}{9}\times 360=56\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{7}\times 189=36\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{2}{7}\times\frac{5}{6}\times 168=40\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{4}\times 128=32\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-02 15:13:48
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen