Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 450 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 80 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 700 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 288 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{6}{7}\times\frac{7}{8}\times 224=168\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{8}{9}\times 450=240\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{4}{6}\times\frac{5}{9}\times 162=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 80=5\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{2}{3}\times\frac{7}{10}\times 210=98\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{7}\times 168=48\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{6}\times 120=16\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{4}\times 144=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{3}{7}\times\frac{9}{10}\times 700=270\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{7}\times 126=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{9}\times 216=48\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{6}\times 288=64\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-24 00:38:42
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen