Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 490 prullen zijn \(\frac{3}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 243 dozen zijn \(\frac{8}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 63 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{6}\times 96=60\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{7}\times 490=21\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{3}\times 243=144\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{6}{9}\times\frac{6}{7}\times 252=144\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{5}\times 160=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{7}\times 140=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{7}\times 168=12\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{3}\times 63=12\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{4}\times\frac{8}{9}\times 324=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{5}\times 150=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{5}\times 120=4\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{7}\times 105=20\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-14 21:56:27
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen