Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 315 prullen zijn \(\frac{6}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 126 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 48 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 108 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 63 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 112 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 175 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{5}\times 315=168\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{6}\times 192=24\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{7}\times 126=30\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{6}{8}\times\frac{1}{5}\times 160=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 48=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{6}\times 108=36\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  7. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{5}\times 180=72\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{2}{5}\times\frac{5}{6}\times 150=50\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 63=7\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{4}\times 112=12\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{5}\times 175=90\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{7}\times 280=32\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-08 20:41:56
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen