Reken uit
- \(\)In een school met 100 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 640 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 324 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 112 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{5}\times 100=16\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{7}{8}\times 640=280\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{3}{4}\times 324=27\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{4}\times 112=32\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{5}\times 240=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{3}\times 162=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{3}\times 90=18\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{4}\times 140=28\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{10}\times 300=36\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{3}\times 120=20\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{9}\times 360=40\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{10}\times 180=60\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)