Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 96 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 250 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 420 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 225 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 504 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 700 prullen zijn \(\frac{4}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 576 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 48 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{4}\times 96=6\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{10}\times 560=63\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{5}\times 250=90\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{6}\times 420=21\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{9}\times 225=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{7}\times 350=40\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{5}{10}\times\frac{3}{4}\times 320=120\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{6}{7}\times\frac{7}{9}\times 504=336\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  9. \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{10}\times 700=120\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{1}{8}\times\frac{4}{9}\times 576=32\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{4}\times 48=9\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{6}\times 252=72\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-29 21:43:33
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen