Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 243 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 420 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 196 leerlingen zijn \(\frac{5}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 252 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 252 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{8}{9}\times\frac{8}{9}\times 243=192\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{8}{10}\times 270=72\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{6}\times 420=30\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{7}\times 196=60\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{5}\times 320=56\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{9}\times 252=56\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{3}\times 72=8\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 90=18\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{3}\times 210=120\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{9}\times 252=16\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{4}\times 252=54\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{5}\times 360=40\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-22 11:16:07
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen