Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 100 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 162 werknemers zijn \(\frac{1}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 252 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 504 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 800 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 80 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{4}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{5}\times 100=12\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{3}{4}\times 324=216\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{1}{3}\times 162=6\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{9}\times 252=24\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{8}\times 504=84\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{6}{8}\times 800=120\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{6}\times 90=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 120=24\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{4}\times 80=8\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{7}\times 140=12\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{5}\times 210=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{7}\times 224=16\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)