Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 560 dozen zijn \(\frac{8}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 450 prullen zijn \(\frac{3}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 45 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 135 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{6}\times 240=24\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{10}\times 300=20\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{4}\times 144=72\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{7}\times 210=60\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{6}\times 72=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{8}{10}\times\frac{3}{7}\times 560=192\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{8}\times 240=12\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{3}{6}\times\frac{5}{7}\times 420=150\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{10}\times 400=15\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{3}{10}\times\frac{6}{9}\times 450=90\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 45=10\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{9}\times 135=15\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-11 06:08:31
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen