Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 196 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 420 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 80 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 189 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{4}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{1}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{4}\times 196=28\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{6}{8}\times\frac{3}{6}\times 288=108\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{5}{10}\times\frac{8}{9}\times 360=160\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{5}\times 200=8\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{10}\times 210=21\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{5}{6}\times\frac{7}{10}\times 420=245\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{4}\times 80=12\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{9}\times\frac{1}{3}\times 189=14\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{5}\times 90=12\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 216=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{4}{7}\times\frac{7}{10}\times 420=168\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{1}{10}\times\frac{2}{7}\times 280=8\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-22 10:14:32
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen