Reken uit
- \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{3}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 54 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 450 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 125 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 36 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 45 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{3}\times 270=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{6}\times 240=32\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{7}{10}\times 480=252\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{3}\times 54=3\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{9}\times 216=54\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{10}\times 450=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{6}\times 360=20\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{4}\times 140=10\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{5}\times 125=60\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{3}\times 36=3\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 45=9\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{5}\times 105=18\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)