Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 84 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 112 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 384 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 175 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 420 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 500 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 160 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{4}\times 84=42\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{7}\times 112=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{3}\times 168=56\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{7}\times 350=90\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{8}\times 384=24\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{1}{6}\times\frac{3}{6}\times 288=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{5}\times 175=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{5}\times 90=12\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{6}\times 420=90\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{3}{10}\times\frac{3}{5}\times 500=90\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{2}{3}\times\frac{8}{10}\times 300=160\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{5}\times\frac{5}{8}\times 160=40\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-24 16:56:17
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen