Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 60 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 63 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{4}\times 60=9\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{3}\times 144=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{8}\times 280=14\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{6}\times 96=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{5}\times 60=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{7}\times 63=12\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{5}\times 300=20\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{3}{8}\times\frac{5}{6}\times 336=105\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{6}\times 360=108\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{5}{8}\times\frac{7}{9}\times 360=175\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{2}{9}\times\frac{3}{6}\times 216=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{6}\times 180=15\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-16 17:07:07
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen