Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 288 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 60 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 84 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 540 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{10}\times\frac{5}{7}\times 630=225\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 150=20\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{3}\times 192=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{4}\times 160=90\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{2}{3}\times\frac{8}{9}\times 216=128\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{3}{4}\times\frac{6}{8}\times 288=162\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 60=5\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{5}{7}\times 84=15\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{1}{8}\times\frac{6}{10}\times 320=24\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{10}\times 540=72\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{5}\times 210=42\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{8}\times 240=30\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-10-13 22:45:38
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen