Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 189 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 648 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 450 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 288 dozen zijn \(\frac{5}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 225 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{5}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 512 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 160=10\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{3}\times 189=54\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{8}\times 480=50\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{6}{9}\times\frac{6}{9}\times 648=288\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{6}\times 270=45\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{10}\times 450=20\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{5}{6}\times\frac{3}{4}\times 120=75\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{5}{9}\times\frac{6}{8}\times 288=120\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{5}\times 225=54\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{6}\times 144=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{3}{8}\times\frac{4}{8}\times 512=96\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{5}\times 210=72\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-01 12:09:40
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen