Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 189 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 250 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 350 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 245 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 648 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{4}\times 96=27\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{6}{9}\times\frac{1}{3}\times 189=42\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{5}\times 250=120\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{1}{6}\times\frac{8}{10}\times 300=40\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{10}\times 350=25\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{8}\times 192=21\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{7}\times 245=21\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{1}{10}\times\frac{2}{3}\times 300=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{9}\times 648=128\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{4}\times 160=20\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{9}\times 144=40\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{5}\times 140=63\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-15 03:32:28
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen