Reken uit
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 294 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 162 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 432 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{5}\times\frac{7}{8}\times 120=84\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{6}{7}\times 560=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{6}\times 294=14\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{2}{4}\times 320=112\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 150=30\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{9}\times 162=12\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{5}{7}\times 168=105\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{4}{8}\times 432=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{10}\times 560=28\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{6}\times 120=10\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{5}\times 150=30\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{8}\times 192=6\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)