Reken uit
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 490 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 60 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 90 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{3}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 405 dozen zijn \(\frac{7}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 36 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{3}\times 120=10\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{6}{7}\times 490=240\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{3}{7}\times 280=72\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 60=15\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{3}\times 90=18\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{9}\times 180=4\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{4}{6}\times 324=72\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{7}{9}\times 720=70\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{3}\times 180=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{5}\times 405=126\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 36=4\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{4}\times 216=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)