Reken uit
- \(\)In een doos met 810 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 160 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 196 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 75 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 350 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 405 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 450 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{9}\times 810=54\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{3}\times 72=4\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{3}\times 120=32\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{4}{5}\times 300=72\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{4}\times 160=64\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{6}{7}\times 196=144\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{5}\times 75=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{9}{10}\times 350=45\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{10}\times 150=50\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{7}{9}\times 405=252\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{7}\times 280=32\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{10}\times 450=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)