Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 504 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 48 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 320 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 432 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 600 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 120=30\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 96=6\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{5}{8}\times\frac{3}{9}\times 504=105\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{4}\times 252=98\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{3}\times 180=20\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{3}\times 48=8\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{10}\times 320=8\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  8. \(\frac{2}{6}\times\frac{7}{8}\times 432=126\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{5}\times 90=12\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{10}\times 600=20\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{3}\times 96=16\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{2}{6}\times\frac{5}{9}\times 540=100\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-16 18:36:15
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen