Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 315 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{8}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 45 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{10}\times 280=63\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{7}\times 378=54\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{9}\times 225=30\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{6}{7}\times\frac{7}{9}\times 315=210\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{8}{10}\times\frac{3}{7}\times 210=72\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 120=64\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{2}{9}\times\frac{7}{8}\times 504=98\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{8}\times 200=100\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{5}\times\frac{7}{10}\times 150=21\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{5}{10}\times\frac{4}{6}\times 540=180\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{4}\times 140=15\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 45=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-27 01:04:58
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen