Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 486 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 45 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 60 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 540 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 140 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{9}\times 216=48\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{6}\times 180=30\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{4}{9}\times 486=96\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 45=3\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{8}\times 240=120\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{5}\times 120=15\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{4}\times 140=90\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{4}\times 240=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{4}\times 60=20\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{9}\times 540=10\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{7}\times 224=96\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{7}\times 140=12\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)