Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 96 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 640 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 320 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 245 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 500 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 700 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 336 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{3}\times 96=16\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{7}{8}\times\frac{3}{8}\times 640=210\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{6}{8}\times\frac{4}{6}\times 144=72\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{6}{10}\times\frac{4}{8}\times 320=96\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{7}\times 126=12\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{4}\times 120=36\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{2}{5}\times\frac{5}{9}\times 225=50\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{7}\times 245=150\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{5}\times\frac{8}{10}\times 500=80\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{5}{10}\times\frac{6}{7}\times 700=300\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{1}{6}\times\frac{7}{8}\times 336=49\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{9}\times\frac{3}{4}\times 180=30\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-19 10:41:12
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen