Reken uit
- \(\)In een doos met 294 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{4}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 512 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 450 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 384 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{6}\times 294=210\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{4}{5}\times 105=12\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{6}\times 540=80\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{1}{3}\times 240=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{2}{5}\times 150=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{5}{8}\times 512=120\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{8}{10}\times 480=240\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{8}{10}\times 450=216\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{6}{10}\times 300=90\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{6}\times 210=140\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{3}\times 300=180\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{6}{8}\times 384=192\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)