Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 45 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 112 leerlingen zijn \(\frac{5}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 108 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 432 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 810 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 189 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{5}\times 45=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{10}\times 400=50\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{4}\times 112=60\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{3}\times 108=54\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{3}{6}\times\frac{5}{9}\times 432=120\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{1}{9}\times\frac{2}{6}\times 324=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{9}\times 810=240\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{4}\times 140=42\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{5}\times 200=30\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{3}\times 126=24\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{3}\times 126=35\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{7}\times 189=72\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-01 01:49:45
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen