Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 336 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 36 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 140 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 84 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 315 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 147 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{6}\times 216=36\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{8}\times 168=14\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{5}{6}\times\frac{3}{7}\times 336=120\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 60=24\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 36=6\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{5}\times 140=16\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{8}\times 280=20\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 84=21\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  9. \(\frac{1}{5}\times\frac{8}{9}\times 315=56\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{2}{6}\times\frac{4}{10}\times 180=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{2}{7}\times\frac{4}{7}\times 147=24\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{9}\times\frac{7}{8}\times 360=105\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-10 15:16:29
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen