Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 490 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 640 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 36 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 108 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{6}\times 168=14\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{5}\times 180=64\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{5}\times 240=16\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{7}\times 490=80\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{4}\times 168=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{7}{8}\times\frac{5}{8}\times 640=350\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{8}\times 120=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 36=9\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{3}\times 84=14\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{3}\times 108=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{3}\times 192=64\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{7}{8}\times\frac{3}{4}\times 160=105\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-12 05:16:05
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen