Reken uit
- \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 560 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 490 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{4}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 126 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{10}\times 360=20\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{6}{10}\times 210=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{8}\times 320=70\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{4}{8}\times 560=252\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{4}\times 200=90\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{4}{7}\times 490=200\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{8}\times 280=42\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{2}{3}\times 270=126\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{8}{9}\times 270=192\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{3}\times 162=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{3}\times 126=14\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{6}{7}\times 280=144\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)