Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 800 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 360 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 147 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 128 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 54 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 400 dozen zijn \(\frac{6}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 189 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 450 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 900 werknemers zijn \(\frac{1}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{9}{10}\times\frac{5}{8}\times 800=450\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{8}\times 216=63\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{1}{6}\times\frac{5}{6}\times 360=50\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{7}\times 147=18\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{4}\times 128=4\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 54=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{4}\times 324=108\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{3}\times 84=7\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{6}{10}\times\frac{2}{4}\times 400=120\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{1}{9}\times\frac{1}{3}\times 189=7\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{9}\times 450=30\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{1}{9}\times\frac{2}{10}\times 900=20\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-02 23:57:55
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen