Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 432 werknemers zijn \(\frac{1}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 640 werknemers zijn \(\frac{2}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 147 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 810 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 630 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 378 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{9}\times\frac{7}{8}\times 432=42\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{3}\times 150=30\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{8}\times 640=20\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{4}\times 96=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{6}\times 90=12\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{3}\times 90=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{10}\times 150=9\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{3}\times 147=7\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{2}{9}\times\frac{4}{9}\times 810=80\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{9}{10}\times\frac{5}{9}\times 630=315\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{6}\times 378=81\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{5}\times\frac{6}{8}\times 360=162\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-08 03:33:46
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen