Reken uit
- \(\)In een doos met 324 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 800 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 256 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{4}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 175 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 48 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 75 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 192 dozen zijn \(\frac{6}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 400 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{6}\times\frac{4}{6}\times 324=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{10}\times 800=10\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{8}\times 256=8\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{3}{4}\times 240=150\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{6}{10}\times 270=72\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{10}\times 270=18\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{7}\times 175=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{4}\times 48=27\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{5}\times 75=5\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{1}{3}\times 192=48\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{7}\times 252=54\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{5}\times 400=168\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)