Reken uit
- \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 400 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 720 dozen zijn \(\frac{8}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 81 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 256 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 567 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 900 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{4}\times 140=28\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{6}\times 90=48\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{10}\times 480=48\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{4}\times 400=70\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{3}{8}\times 720=240\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{7}\times 168=12\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{9}\times 81=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{6}{8}\times 256=48\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{9}\times 567=98\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{7}{10}\times 280=49\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{8}\times 480=100\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{9}{10}\times 900=486\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)