Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 45 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{8}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 400 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 648 prullen zijn \(\frac{8}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{10}\times 200=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{6}\times 288=96\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{4}{10}\times\frac{8}{9}\times 270=96\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{4}{8}\times\frac{5}{9}\times 720=200\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{3}\times 45=10\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{6}\times 90=18\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{4}{8}\times\frac{3}{5}\times 360=108\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{6}\times 240=64\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  9. \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{4}\times 400=20\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{9}\times 648=128\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{3}\times 120=20\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{4}\times 280=180\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-04 05:52:01
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen