Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 320 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 360 dozen zijn \(\frac{7}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 60 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 27 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 486 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{7}\times 280=150\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{8}\times 320=80\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{3}\times 189=28\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{6}{7}\times\frac{7}{9}\times 378=252\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{4}\times 360=140\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{4}\times 168=30\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{4}\times 60=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{6}\times 90=10\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{6}\times 210=63\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 27=6\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{9}\times 486=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{3}\times 72=24\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-20 18:44:16
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen