Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 81 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 336 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 160 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 84 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 27 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 315 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{6}\times\frac{4}{9}\times 270=40\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{7}\times 168=42\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{9}\times 81=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{3}\times 90=5\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{3}\times 216=108\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{6}\times 168=16\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{7}\times 336=48\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  8. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{5}\times 210=72\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{5}\times 160=16\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{7}\times 84=6\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{3}\times 27=6\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{7}\times 315=18\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-11 23:39:41
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen