Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 315 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 324 dozen zijn \(\frac{2}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 400 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 700 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{6}\times 240=20\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{3}{10}\times\frac{3}{4}\times 160=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{7}\times 168=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{7}{9}\times\frac{4}{5}\times 360=224\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{3}{5}\times\frac{8}{9}\times 315=168\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{9}\times 216=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{1}{8}\times\frac{6}{9}\times 360=30\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{7}{10}\times\frac{5}{8}\times 240=105\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{9}\times\frac{1}{4}\times 324=18\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{10}\times 400=20\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  11. \(\frac{4}{10}\times\frac{4}{10}\times 700=112\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{3}{8}\times\frac{7}{10}\times 240=63\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-26 13:26:23
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen