Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 336 dozen zijn \(\frac{2}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 336 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{2}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 147 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 900 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 256 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 500 dozen zijn \(\frac{9}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{3}\times 144=24\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{6}\times 336=56\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{8}\times 336=84\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{6}\times 180=18\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{6}{7}\times\frac{6}{10}\times 210=108\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{6}\times 480=16\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{6}\times 270=150\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{3}\times 147=42\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{10}\times\frac{3}{9}\times 900=120\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{3}\times 84=7\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{8}\times 256=4\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{9}{10}\times\frac{4}{5}\times 500=360\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-12 14:44:16
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen