Reken uit
- \(\)In een doos met 245 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 108 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 490 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 490 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 320 dozen zijn \(\frac{6}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 84 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 350 dozen zijn \(\frac{3}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{6}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{5}\times 245=21\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{3}\times 108=12\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{9}{10}\times 490=63\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{6}\times 216=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{7}\times 490=90\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{5}{10}\times 480=150\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{1}{5}\times 320=48\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{10}\times 360=18\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{7}\times 84=6\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{6}{7}\times 350=90\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{7}\times 280=16\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{9}{10}\times 270=162\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)