Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 192 dozen zijn \(\frac{3}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{5}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 288 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 175 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 500 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{4}\times\frac{5}{7}\times 140=25\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{3}\times 192=24\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  3. \(\frac{2}{8}\times\frac{7}{9}\times 360=70\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{4}\times 224=120\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{6}\times 288=80\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{5}\times 175=7\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{5}\times 60=8\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{8}\times\frac{3}{5}\times 160=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{6}{10}\times\frac{2}{5}\times 500=120\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{8}\times 72=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{4}\times 192=64\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{5}\times 300=200\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-31 02:35:10
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen