Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 315 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 64 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 135 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 400 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{6}\times 72=24\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{10}\times 90=12\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{7}{9}\times 315=98\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{10}\times 160=40\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{10}\times 560=140\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{9}\times 270=5\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{4}\times 64=36\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{2}{5}\times\frac{6}{7}\times 210=72\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{3}\times 135=36\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{6}{7}\times\frac{6}{8}\times 224=144\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{5}\times 105=18\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{3}{5}\times\frac{7}{10}\times 400=168\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-07 18:07:37
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen