Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 196 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 540 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{2}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 60 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 384 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 480 werknemers zijn \(\frac{8}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 900 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 378 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{7}\times 196=7\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{1}{6}\times\frac{8}{9}\times 540=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{4}\times 360=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 60=12\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{3}{5}\times\frac{5}{7}\times 210=90\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{8}\times 384=96\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{8}{10}\times\frac{3}{6}\times 480=192\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{10}\times 900=162\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{6}{7}\times\frac{8}{9}\times 378=288\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{5}\times 140=48\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{2}{3}\times\frac{9}{10}\times 270=162\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{4}{8}\times\frac{8}{9}\times 720=320\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-07 22:57:06
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen