Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 500 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 400 dozen zijn \(\frac{7}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 448 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 54 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 60 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 441 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 576 dozen zijn \(\frac{2}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{10}\times 500=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{8}\times\frac{5}{10}\times 560=70\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{4}\times 400=70\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{8}\times 448=40\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{4}{8}\times\frac{8}{9}\times 720=320\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{3}\times 54=3\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 120=48\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 60=10\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{8}\times 216=72\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{8}\times 560=56\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{7}\times\frac{6}{9}\times 441=42\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{8}\times 576=54\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-14 07:25:49
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen