Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 112 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 441 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 168 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 504 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 160 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 225 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 700 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{7}\times 112=16\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{7}\times\frac{6}{7}\times 441=162\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{4}\times 168=36\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{7}\times 504=81\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{5}\times 160=24\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{9}\times 225=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{4}\times 144=18\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{9}{10}\times\frac{4}{9}\times 360=144\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{4}{8}\times\frac{4}{10}\times 480=96\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{7}{10}\times\frac{6}{7}\times 700=420\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{5}{6}\times\frac{5}{6}\times 144=100\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{5}{7}\times\frac{4}{10}\times 210=60\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-03 06:03:18
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen