Reken uit
- \(\)In een doos met 135 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 192 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 63 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 135 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 135=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{8}\times 320=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{4}\times 144=18\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{7}{9}\times 252=98\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{3}{4}\times 192=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{6}\times 360=48\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{4}{7}\times 420=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{10}\times 210=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{8}{10}\times 360=72\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{3}\times 63=15\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{6}{7}\times 168=126\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{5}\times 135=18\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)