Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 147 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 63 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 450 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 315 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 252 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 84 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{3}\times 96=28\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{1}{8}\times\frac{5}{6}\times 144=15\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{7}\times 147=84\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 63=7\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{5}\times 140=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{10}\times 450=75\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{10}\times 120=12\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{9}\times 315=150\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{4}\times\frac{8}{9}\times 252=56\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{1}{10}\times\frac{2}{3}\times 150=10\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{5}\times 180=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 84=21\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2025-11-30 07:16:24
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen