Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 350 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 336 dozen zijn \(\frac{7}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 378 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 108 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 420 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 250 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{5}\times 240=40\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{7}\times 350=120\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{7}{8}\times\frac{4}{6}\times 336=196\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{9}\times 378=14\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{7}\times 280=20\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{4}\times 108=30\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{4}{10}\times\frac{5}{6}\times 420=140\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{10}\times 200=5\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{4}\times 168=70\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{10}\times 270=12\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{5}\times 250=20\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{6}\times 240=150\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-13 00:02:28
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen