Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{7}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 189 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{6}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 48 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 108 dozen zijn \(\frac{5}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 448 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{9}\times 270=63\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{9}\times 180=16\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{4}\times 144=48\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{4}{9}\times 189=48\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{1}{9}\times 216=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{6}\times 240=32\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 48=8\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{4}\times 108=45\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{8}\times 448=21\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{8}\times 224=14\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{5}\times 105=56\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{6}\times 180=80\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)