Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{7}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 648 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 441 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 294 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{8}\times 400=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 150=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{7}{10}\times\frac{4}{6}\times 240=112\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{9}\times 216=24\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{3}{9}\times\frac{4}{8}\times 648=108\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{7}\times 441=56\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{7}\times 252=108\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{3}{8}\times\frac{4}{5}\times 240=72\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{8}\times 280=30\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{6}\times 90=30\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{10}\times 150=18\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{7}\times 294=72\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-29 23:43:48
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen