Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{4}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 75 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 500 dozen zijn \(\frac{6}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 432 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 900 dozen zijn \(\frac{1}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{3}\times 270=80\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{6}\times 90=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{4}\times 200=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{7}\times 252=6\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{5}\times 75=6\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  6. \(\frac{4}{6}\times\frac{6}{10}\times 240=96\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{6}{10}\times\frac{4}{10}\times 500=120\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{6}{9}\times\frac{1}{8}\times 432=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{5}\times 150=12\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{8}{10}\times 160=96\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{1}{10}\times\frac{2}{9}\times 900=20\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 150=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-17 18:47:43
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen