Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 128 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 400 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 800 leerlingen zijn \(\frac{2}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 486 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 256 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{4}\times 252=81\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  2. \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{5}\times 360=72\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{3}\times 72=4\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{10}\times 300=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{4}\times 128=56\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{5}\times 400=168\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{10}\times 800=16\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{9}\times 216=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{9}\times 486=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{5}\times 160=96\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{8}\times\frac{4}{8}\times 256=16\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{3}\times 90=20\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-12 19:09:56
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen