Reken uit
- \(\)In een doos met 128 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 448 dozen zijn \(\frac{2}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 224 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{7}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 300 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 504 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 75 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{4}\times 128=72\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{8}\times 448=42\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{5}{7}\times 560=280\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{6}\times 360=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{9}\times 270=10\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{8}\times 224=56\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{6}\times 480=168\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{10}\times 300=5\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{4}\times 224=70\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{5}\times 200=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{8}{9}\times 504=224\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{3}\times 75=30\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)