Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 36 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 60 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 60 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{2}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 384 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 75 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 48 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 36=16\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{2}{4}\times\frac{7}{8}\times 192=84\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{5}\times 60=6\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 60=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{3}\times 162=24\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{6}\times 90=6\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{5}\times 140=24\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  8. \(\frac{6}{8}\times\frac{4}{6}\times 384=192\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{5}\times 75=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{9}\times 216=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{4}\times 48=12\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{7}\times 280=100\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-29 15:30:09
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen