Reken uit
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 196 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 162 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{2}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{7}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 324 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 192 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{7}\times\frac{8}{10}\times 210=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{7}\times 210=120\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{7}\times 196=21\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{7}{9}\times 162=84\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{5}\times 280=48\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{8}\times 216=42\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{1}{4}\times 200=25\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{6}\times 324=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{10}\times 150=27\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{4}\times 160=72\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{8}\times 192=32\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{5}\times 120=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)