Reken uit
- \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{1}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 108 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 192 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 336 werknemers zijn \(\frac{2}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 560 dozen zijn \(\frac{7}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 648 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{3}\times 90=6\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{4}{6}\times 180=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{5}\times 140=56\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{3}\times 108=24\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{5}{8}\times 192=20\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{4}{7}\times 280=140\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{6}\times 192=8\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 120=8\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{6}\times 336=56\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{10}\times 560=49\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{4}\times 200=120\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{6}{9}\times 648=324\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)