Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 108 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 490 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{6}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 343 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 60 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 36 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{9}\times 108=24\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{8}\times 96=27\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{4}\times 224=42\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{10}\times 490=105\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{4}\times 216=96\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{8}\times 480=36\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{6}{7}\times\frac{4}{7}\times 343=168\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{3}\times 90=3\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{6}\times\frac{5}{6}\times 216=60\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{5}\times 60=12\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  11. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 36=16\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{10}\times 240=3\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-19 00:04:36
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen