Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 392 dozen zijn \(\frac{1}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 135 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 648 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 175 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 63 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 245 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{10}\times 210=28\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{1}{7}\times\frac{4}{8}\times 560=40\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{8}\times\frac{6}{7}\times 392=42\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{3}\times 135=27\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{7}\times 140=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{10}\times 630=168\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{4}\times 280=60\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{3}\times 168=70\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{9}\times\frac{8}{9}\times 648=64\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{5}\times 175=28\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{7}\times 63=15\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  12. \(\frac{5}{7}\times\frac{6}{7}\times 245=150\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-16 06:23:17
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen