Reken uit
- \(\)In een doos met 450 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 294 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 162 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 60 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{4}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 100 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 700 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{5}\times\frac{7}{10}\times 450=63\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{7}{8}\times 200=70\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{6}{7}\times 294=180\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{3}\times 162=90\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{6}\times 240=35\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{5}\times 60=8\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{10}\times 180=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{4}{5}\times 280=84\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{6}\times 240=32\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{5}\times 100=20\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{5}{7}\times 630=100\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{5}{10}\times 700=210\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)