Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 378 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{5}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 400 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 504 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 126 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 800 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{9}\times 378=30\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{5}\times 105=9\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{6}\times 180=40\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{5}\times 140=21\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{7}\times 280=25\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{2}{4}\times\frac{7}{10}\times 400=140\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{9}\times 216=48\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{7}{8}\times\frac{6}{9}\times 504=294\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{4}{6}\times\frac{5}{7}\times 126=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{10}\times 800=50\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{3}{4}\times\frac{6}{9}\times 216=108\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{9}{10}\times 150=90\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-14 09:53:01
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen