Reken uit
- \(\)In een doos met 125 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 126 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 294 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 405 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 36 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 540 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 300 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 147 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{5}\times 125=45\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{6}\times 126=28\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{7}\times 294=35\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{7}{9}\times 405=252\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 36=4\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{6}{10}\times 300=108\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{6}\times 96=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{9}\times 540=108\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{5}\times 300=48\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{6}\times 240=16\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{9}\times 270=40\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{7}\times 147=7\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)