Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 441 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 448 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 729 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{3}\times 240=72\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{4}{6}\times\frac{6}{8}\times 240=120\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{5}{6}\times\frac{5}{7}\times 336=200\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{9}\times 441=105\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{8}\times 224=48\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{9}\times 144=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{7}\times 105=3\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{7}{8}\times\frac{3}{7}\times 448=168\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{7}{9}\times\frac{3}{5}\times 225=105\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{7}{9}\times\frac{8}{9}\times 729=504\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{4}\times 180=9\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{9}{10}\times 280=126\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-28 01:33:02
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen