Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 324 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 1000 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 648 dozen zijn \(\frac{4}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 504 prullen zijn \(\frac{7}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{9}\times\frac{7}{9}\times 324=140\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{9}{10}\times\frac{8}{10}\times 1000=720\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 150=80\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{5}\times 160=72\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{4}{8}\times\frac{5}{9}\times 648=180\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{6}\times 240=120\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{2}{6}\times\frac{6}{9}\times 270=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{3}\times 210=7\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{6}\times 288=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{7}{9}\times\frac{3}{8}\times 504=147\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{3}\times 126=42\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{7}\times 224=48\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-24 15:01:58
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen