Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 490 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 567 prullen zijn \(\frac{8}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 27 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 810 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 72 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{8}\times\frac{5}{10}\times 320=80\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{3}{4}\times\frac{9}{10}\times 160=108\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{7}\times 490=126\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{10}\times 240=96\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{7}\times 567=144\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 27=6\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{3}\times 105=42\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{5}\times 210=72\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{9}\times 360=32\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{5}\times 210=28\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{9}\times 810=18\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{6}\times 72=6\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-12 22:18:15
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen