Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 432 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 504 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{4}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 392 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 54 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{8}\times 432=144\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{5}\times 300=10\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  3. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{3}\times 180=60\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{7}{10}\times 160=84\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{2}{9}\times\frac{4}{6}\times 270=40\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{7}\times 504=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{4}\times 180=60\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{8}\times 392=35\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 54=6\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 150=30\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{5}\times 360=96\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{3}\times 144=12\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-24 08:40:23
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen