Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 360 dozen zijn \(\frac{2}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 630 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 320 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{6}\times 90=25\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{2}{10}\times\frac{5}{6}\times 360=60\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{6}\times 120=32\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{5}{6}\times 120=25\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{5}\times 160=64\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{8}\times 120=5\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{4}\times 240=36\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{7}\times 168=16\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{6}\times 336=32\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{10}\times 630=45\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{4}\times 320=60\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{4}\times 180=40\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-28 11:10:29
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen