Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 378 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 75 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 336 dozen zijn \(\frac{3}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 800 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 196 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 150 dozen zijn \(\frac{7}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 80 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{6}\times\frac{8}{9}\times 378=280\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{5}\times 75=10\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{7}\times 336=24\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{6}\times 180=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{3}{5}\times 320=96\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{10}\times 800=60\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{10}\times 180=72\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{7}\times 196=32\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{4}\times 140=21\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{3}\times 150=35\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{4}\times 80=30\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{3}{6}\times 240=60\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)