Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 112 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 150 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 900 prullen zijn \(\frac{6}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 324 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{1}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 560 dozen zijn \(\frac{3}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 432 prullen zijn \(\frac{7}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{6}\times\frac{5}{7}\times 336=120\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{6}\times 216=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{7}\times 112=24\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{3}\times 126=21\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{3}\times 150=40\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{10}\times 400=96\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{6}{10}\times\frac{7}{10}\times 900=378\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  8. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{8}\times 224=40\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{9}\times 324=96\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{6}\times 360=6\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{7}\times 560=90\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{7}{9}\times\frac{7}{8}\times 432=294\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-09 18:17:39
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen