Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 96 dozen zijn \(\frac{4}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 135 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 441 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 486 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 175 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{8}\times 168=35\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{9}{10}\times 90=27\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{3}{4}\times 96=36\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{5}\times 135=27\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{8}\times 160=48\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{7}\times 441=36\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{4}{9}\times 486=72\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{9}\times 270=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{6}\times 300=40\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{4}\times 324=108\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{5}\times 175=20\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{4}{5}\times 200=96\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)