Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 189 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 700 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 36 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 225 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 400 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{6}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{7}\times 140=20\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{10}\times 180=60\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{7}\times 189=108\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{1}{10}\times\frac{3}{7}\times 700=30\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{10}\times 300=54\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{3}\times 36=6\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{5}\times 225=81\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{4}\times 216=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{8}\times 400=10\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{6}{8}\times\frac{3}{6}\times 144=54\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{8}{9}\times\frac{4}{10}\times 630=224\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{10}\times 360=72\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-06 22:36:37
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen