Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 900 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 336 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 63 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 147 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 100 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{9}{10}\times\frac{8}{9}\times 900=720\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{5}{8}\times\frac{9}{10}\times 400=225\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{9}{10}\times 200=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{6}\times 252=84\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{6}\times 336=16\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{4}\times 72=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{6}{7}\times\frac{4}{9}\times 504=192\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{6}\times 192=48\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{3}\times 63=9\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{7}\times 147=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{5}\times 100=5\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{4}\times 180=54\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-21 19:16:33
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen