Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 60 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{2}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 700 dozen zijn \(\frac{3}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 54 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 450 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 245 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 48 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{3}\times 60=30\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{5}\times 210=35\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{3}\times 96=8\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{8}{10}\times 700=168\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{8}\times 96=30\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{3}\times 54=24\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{6}{7}\times 224=24\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{10}\times 450=108\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{6}{7}\times 245=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 48=12\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{6}\times 216=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{5}{7}\times 252=150\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)