Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 500 leerlingen zijn \(\frac{1}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 80 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 192 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 405 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 600 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{7}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{4}\times 120=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{5}{10}\times 500=25\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{10}\times 90=36\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{4}\times 80=30\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{6}\times 192=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{10}\times 630=54\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{1}{3}\times 216=56\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{4}{5}\times 405=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{3}\times 144=84\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{4}\times 224=72\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{4}{6}\times 600=120\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{2}{9}\times 360=56\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)