Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 640 dozen zijn \(\frac{4}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 96 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 250 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 720 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{3}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 108 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{10}\times 300=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{8}\times 640=40\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{5}\times 160=64\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{9}\times 252=14\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{8}\times 96=45\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{5}\times 250=10\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{10}\times 720=72\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{5}{9}\times 360=60\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{3}\times 180=108\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{9}\times 108=4\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 144=9\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{3}\times 120=40\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)