Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 810 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 45 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 84 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 560 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{6}\times 216=96\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{6}{10}\times\frac{7}{9}\times 810=378\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{6}\times 168=105\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 45=3\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{4}{9}\times\frac{5}{6}\times 216=80\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{1}{10}\times\frac{3}{6}\times 360=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{4}\times 192=48\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{8}\times 224=21\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{4}\times 84=28\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{3}\times 120=50\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{5}{8}\times\frac{7}{10}\times 560=245\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{5}\times 160=16\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-26 06:12:36
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen