Reken uit
- \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{7}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 420 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 245 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 150 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 288 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{3}\times 240=64\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{6}\times 480=168\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{8}{10}\times 120=32\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{4}{5}\times 400=160\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{9}{10}\times 300=162\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{7}{10}\times 420=49\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{5}\times 245=84\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{7}{8}\times 240=84\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{6}\times 180=48\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{5}\times 150=48\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{8}{9}\times 270=160\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{6}\times 288=72\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)