Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 540 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 225 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 108 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 500 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 441 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 288 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 75 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{9}\times\frac{5}{6}\times 540=250\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{9}\times 225=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{4}\times 108=36\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{8}{10}\times\frac{4}{10}\times 500=160\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{1}{9}\times\frac{2}{7}\times 441=14\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{3}{8}\times\frac{5}{6}\times 288=90\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{3}\times 270=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{6}\times 72=6\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 75=15\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{3}\times 144=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{10}\times 270=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{10}\times 240=64\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-18 10:14:04
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen