Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 432 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 288 dozen zijn \(\frac{6}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 378 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 147 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 192 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 378 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{6}\times 270=80\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{6}{8}\times\frac{1}{6}\times 432=54\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{3}\times 216=48\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{8}\times 288=96\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{1}{6}\times\frac{6}{7}\times 378=54\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{7}\times 210=120\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 96=16\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  8. \(\frac{2}{6}\times\frac{4}{5}\times 270=72\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{3}\times 147=56\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{8}\times 192=40\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{6}\times 378=135\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{1}{4}\times\frac{8}{10}\times 160=32\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-30 00:19:58
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen