Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 392 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 810 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 560 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 135 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 108 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 135 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 75 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 200 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{10}\times 240=64\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{9}{10}\times\frac{6}{7}\times 420=324\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{8}\times 392=70\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{7}{9}\times\frac{1}{10}\times 810=63\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{10}\times 560=64\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{9}\times 135=24\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 108=27\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{7}{9}\times\frac{4}{5}\times 135=84\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 120=20\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{5}\times 75=10\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{6}\times 150=20\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{5}\times 200=60\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-24 15:51:41
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen