Reken uit
- \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{8}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 540 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 486 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 147 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 392 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 400 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 405 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 108 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{3}\times 180=54\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 105=21\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{4}\times 240=96\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{6}\times 540=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{5}{9}\times 486=30\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{7}\times 147=21\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{9}\times 216=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{4}\times 192=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{7}\times 392=32\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{9}{10}\times 400=216\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{9}\times 405=54\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{3}\times 108=18\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)