Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{6}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 336 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 162 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 567 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 196 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 600 werknemers zijn \(\frac{1}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{6}{8}\times\frac{8}{10}\times 720=432\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{8}\times 200=40\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{8}\times 336=84\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{3}\times 162=90\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{8}{9}\times\frac{3}{7}\times 567=216\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{5}{6}\times\frac{6}{7}\times 252=180\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{9}\times 216=56\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{7}\times 196=42\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{4}\times 252=9\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{1}{10}\times\frac{3}{6}\times 600=30\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{2}{9}\times\frac{5}{6}\times 270=50\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{6}\times 150=20\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-25 11:32:34
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen