Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 336 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{2}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 147 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 72 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 108 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{6}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 320 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{6}\times 168=72\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{5}{8}\times\frac{5}{6}\times 336=175\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{9}\times\frac{3}{7}\times 630=60\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{7}\times 147=18\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{10}\times 270=63\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{4}\times 72=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 108=27\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{10}\times 360=32\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{5}\times 180=32\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{3}\times 180=20\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{6}{8}\times\frac{3}{5}\times 360=162\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{10}\times 320=96\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-10 04:41:07
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen