Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 343 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 500 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{2}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{2}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{9}\times 216=48\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{6}\times 150=10\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{4}{6}\times\frac{8}{9}\times 216=128\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{8}\times 720=300\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{7}\times 343=84\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 90=18\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{5}\times 500=40\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{2}{10}\times\frac{6}{8}\times 400=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{8}\times 280=7\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{7}\times 168=30\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{3}\times 72=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{2}{7}\times\frac{5}{10}\times 280=40\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-02 01:20:16
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen