Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 560 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{6}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 196 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 480 werknemers zijn \(\frac{6}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{10}\times 560=21\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{10}\times 270=90\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{6}{9}\times\frac{1}{4}\times 180=30\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{9}{10}\times 120=81\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{7}\times 280=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{5}\times 105=15\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{4}\times 196=21\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{8}\times 168=35\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{10}\times 300=70\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{4}{10}\times\frac{3}{4}\times 240=72\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  11. \(\frac{5}{8}\times\frac{3}{4}\times 192=90\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{6}{8}\times\frac{5}{6}\times 480=300\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-13 22:42:25
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen