Reken uit
- \(\)In een doos met 432 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 900 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 80 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 126 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 200 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 300 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 500 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 75 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{6}{8}\times\frac{6}{9}\times 432=216\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{4}\times 288=72\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{6}{10}\times 900=270\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{4}\times 80=30\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{4}{6}\times 420=80\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{3}\times 126=36\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{4}\times 200=80\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{2}{6}\times 300=70\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{10}\times 500=40\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{7}\times 168=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{7}\times 280=16\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{5}\times 75=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)