Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 360 dozen zijn \(\frac{5}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 392 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 336 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{4}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 288 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 800 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{10}\times 400=48\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{8}\times 360=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{4}\times 360=90\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{3}\times 105=40\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{7}\times 392=56\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{7}\times 210=27\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{7}\times 336=160\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{3}\times 90=12\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{4}\times 140=25\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{4}\times 120=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{6}\times 288=96\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{8}\times\frac{6}{10}\times 800=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-19 09:37:04
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen