Reken uit
- \(\)In een doos met 72 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{1}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 500 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 84 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 175 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 160 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 128 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{4}\times 72=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{6}{8}\times 192=72\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{3}{6}\times 480=120\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{2}{3}\times 240=16\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{5}\times 500=40\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{7}\times 84=6\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{4}{5}\times 175=40\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{7}\times 420=40\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{7}{8}\times 560=343\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{8}\times 160=30\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{10}\times 630=35\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{4}\times 128=16\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)