Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 160 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 135 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 540 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 192 dozen zijn \(\frac{5}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{5}\times 160=16\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{4}\times 200=60\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{7}\times 168=32\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 90=40\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{8}{9}\times 135=40\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{6}{9}\times\frac{9}{10}\times 540=324\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{7}\times 210=36\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{4}\times 192=60\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  9. \(\frac{5}{6}\times\frac{6}{8}\times 240=150\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{6}\times 240=160\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{10}\times 300=10\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  12. \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{9}\times 360=96\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-10-14 15:02:29
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen