Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 72 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 80 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 480 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 160 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 105 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 243 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 576 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 900 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{6}\times 72=8\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  2. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{4}\times 80=15\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{10}\times 480=120\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{4}\times 160=64\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{9}\times 360=64\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 105=42\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{3}\times 243=72\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{3}\times 210=20\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{8}{9}\times\frac{6}{10}\times 360=192\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{5}{9}\times\frac{6}{8}\times 576=240\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{5}{10}\times\frac{3}{10}\times 900=135\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{3}\times 150=80\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-06 13:49:20
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen