Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{2}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{4}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{8}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 175 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{5}\times 120=24\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{4}\times 144=24\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{3}\times 189=90\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{4}\times 180=25\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{4}{9}\times\frac{4}{6}\times 216=64\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{3}\times 120=40\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{8}{10}\times\frac{4}{7}\times 210=96\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{5}\times 175=20\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{9}\times 225=100\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{7}{9}\times\frac{3}{5}\times 360=168\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{5}\times 150=40\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{9}\times 144=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-09 22:58:22
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen