Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 567 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 36 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 147 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{2}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 243 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 60 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 27 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 810 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{10}\times\frac{8}{9}\times 360=96\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{2}{9}\times\frac{3}{7}\times 567=54\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 36=9\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{5}\times 160=80\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{4}{7}\times\frac{5}{8}\times 504=180\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{2}{7}\times\frac{4}{7}\times 147=24\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{4}\times 320=32\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{9}\times 243=54\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{5}\times 60=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{7}\times 140=12\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 27=12\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{10}\times 810=270\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-28 16:54:14
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen