Reken uit
- \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 504 dozen zijn \(\frac{3}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 45 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 112 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 576 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{9}\times 252=21\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{3}\times 180=48\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{4}{8}\times 216=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{7}\times 504=27\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{6}\times 144=24\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{8}\times 224=120\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 45=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{4}\times 112=72\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{6}{9}\times 576=192\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{3}\times 144=16\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{6}\times 210=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{5}\times 200=64\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)