Reken uit
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 420 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 105 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{2}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{6}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 36 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{5}\times 210=18\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{10}\times 420=12\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{3}\times 105=30\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{5}{6}\times 240=125\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{7}{8}\times 216=21\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{10}\times 150=60\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{4}\times 400=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{7}\times 210=60\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{6}{10}\times 480=216\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{8}\times 224=28\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{3}\times 36=8\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{3}\times 72=16\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)