Reken uit
- \(\)In een doos met 84 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 360 dozen zijn \(\frac{1}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 192 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 560 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{5}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 81 werknemers zijn \(\frac{5}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{7}\times 84=24\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{3}{4}\times 360=30\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{8}\times 120=15\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{8}\times 192=16\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{10}\times 560=120\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{6}\times 144=64\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{3}\times 210=63\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{5}\times 400=200\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{2}{8}\times 320=48\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{9}\times 216=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{3}\times 81=15\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{9}\times 378=24\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)