Reken uit
- \(\)In een doos met 400 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 112 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 343 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 900 werknemers zijn \(\frac{3}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 648 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 1000 werknemers zijn \(\frac{5}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{5}\times 400=56\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{6}\times 210=10\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{5}{6}\times 72=15\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{4}\times 112=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{6}{7}\times 343=252\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{7}{10}\times 240=56\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{5}\times 120=64\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{5}\times 400=10\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{4}{10}\times 900=120\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{7}\times 224=96\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{8}\times 648=45\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{4}{10}\times 1000=200\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)