Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 450 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 700 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 400 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 54 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 150 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 288 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 540 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{9}\times\frac{8}{10}\times 450=160\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{10}\times 700=7\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{5}\times 140=14\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{6}{8}\times 400=60\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{6}\times 270=120\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 168=14\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{6}\times 54=12\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{5}\times 150=60\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{10}\times 420=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{7}{8}\times 288=126\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{3}\times 210=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{9}\times 540=100\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)