Reken uit
- \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{3}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 500 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 105 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 225 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 324 werknemers zijn \(\frac{3}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{10}\times\frac{6}{9}\times 720=144\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{5}\times 105=7\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{3}\times 210=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{10}\times 500=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 90=10\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{7}\times 105=3\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{6}{7}\times 224=24\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{9}\times 225=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{10}\times 360=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{1}{4}\times 324=27\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{9}\times 270=10\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{5}\times 140=16\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)