Reken uit
- \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 392 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 100 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 125 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{4}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 27 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{3}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 90=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{7}\times 392=40\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{4}{7}\times 224=64\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{4}\times 100=30\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{7}\times 378=36\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 168=14\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{5}\times 125=60\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{7}\times 140=48\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{6}\times 420=80\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 27=3\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{6}{10}\times 720=144\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{6}{8}\times 288=108\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)