Reken uit
- \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 100 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 350 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{4}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 63 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 189 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 96 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{5}\times 200=32\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{5}\times 100=10\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{10}\times 350=21\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{3}\times 162=60\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{6}\times 480=40\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{7}\times 105=36\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{3}{5}\times 180=18\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{10}\times 270=45\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{4}\times 160=20\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{7}\times 63=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{6}{9}\times 189=54\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 96=24\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)