Reken uit
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{8}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 336 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 810 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 288 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 350 werknemers zijn \(\frac{1}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 192 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 196 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 400 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 81 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 630 dozen zijn \(\frac{8}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{6}\times 240=32\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{7}\times 336=36\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{5}\times 120=40\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{7}{9}\times 810=420\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{6}\times 288=6\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{5}\times 350=7\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{5}{8}\times 192=100\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{7}\times 196=7\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{10}\times 400=70\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 81=18\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{3}{7}\times 630=240\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{6}\times 240=40\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)