Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 315 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 243 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 256 werknemers zijn \(\frac{2}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 243 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 105 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 196 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{9}\times\frac{6}{7}\times 315=150\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{7}\times 504=63\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{3}\times 243=108\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{9}\times 216=6\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{9}\times 216=40\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{8}\times 256=16\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{8}\times 96=12\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{7}{9}\times\frac{3}{9}\times 243=63\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{5}\times 105=3\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{4}\times 196=126\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{3}{5}\times\frac{7}{10}\times 400=168\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{2}{10}\times\frac{4}{5}\times 200=32\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-03 02:04:06
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen