Reken uit
- \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 315 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 225 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 315 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 567 prullen zijn \(\frac{7}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{8}\times\frac{5}{10}\times 320=80\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{5}\times 90=48\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{6}\times 180=54\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{5}\times 315=135\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{10}\times 160=36\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{3}\times 120=10\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{5}\times 180=12\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{5}\times 225=108\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{8}{9}\times 315=160\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{9}\times 567=98\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{6}\times 90=24\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{3}\times 120=10\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)