Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 450 werknemers zijn \(\frac{7}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 168 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 324 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{10}\times\frac{4}{5}\times 450=252\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{3}\times 72=4\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{6}\times 168=24\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{3}\times 96=8\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{7}{9}\times\frac{1}{3}\times 270=70\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{4}\times 160=60\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{3}\times 168=64\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{3}{6}\times\frac{3}{4}\times 144=54\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{10}\times 210=49\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{9}\times 324=12\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{7}{9}\times\frac{1}{4}\times 180=35\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{8}\times 240=20\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-27 17:58:39
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen