Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 81 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 189 prullen zijn \(\frac{4}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 54 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{5}\times 180=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{3}\times 240=128\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{9}\times 81=36\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{3}\times 144=80\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{7}\times 105=9\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{3}\times 189=56\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{7}{10}\times\frac{4}{8}\times 480=168\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{7}{10}\times 400=70\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 54=6\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{4}{8}\times\frac{4}{5}\times 360=144\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{8}\times 280=56\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{6}{9}\times\frac{9}{10}\times 360=216\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-20 05:50:07
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen