Reken uit
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 112 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{2}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{3}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 147 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 450 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 700 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{4}\times\frac{8}{10}\times 120=24\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 150=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{5}{7}\times 210=50\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{4}\times 112=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{1}{4}\times 180=10\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{3}{6}\times 540=81\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{3}\times 147=70\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{6}\times 192=16\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{7}{9}\times 450=280\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{8}{9}\times 270=200\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{4}\times 120=20\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{10}\times 700=30\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)