Reken uit
- \(\)In een school met 135 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 81 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 147 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 72 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 128 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 432 prullen zijn \(\frac{7}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 81 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{9}\times 135=20\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{3}\times 81=12\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{6}{7}\times 147=36\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{3}{4}\times 144=84\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{8}\times 72=21\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{3}{4}\times 320=216\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{4}\times 128=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{4}{8}\times 432=168\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{4}{8}\times 336=56\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 81=9\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{6}\times 72=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{6}\times 300=200\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)