Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 405 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 288 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 378 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 441 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 112 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 378 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 500 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 75 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 576 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{4}\times 120=48\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{9}\times 405=36\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{4}\times 288=128\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{9}\times 378=90\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{7}\times 441=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 112=7\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{6}\times 378=90\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{2}{10}\times\frac{3}{5}\times 500=60\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{5}\times 75=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{5}{9}\times\frac{5}{8}\times 576=200\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{8}\times 192=8\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{10}\times 480=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-10-04 19:37:29
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen