Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 105 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 108 dozen zijn \(\frac{8}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 350 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 420 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{5}\times 180=64\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{4}{7}\times\frac{8}{9}\times 504=256\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{5}\times 105=36\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{9}\times 216=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{4}\times 320=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{4}{9}\times\frac{4}{7}\times 189=48\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{3}\times 108=32\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  8. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{3}\times 126=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{6}\times 336=7\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{4}{7}\times\frac{9}{10}\times 350=180\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{3}\times 120=16\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{10}\times 420=14\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-18 09:55:38
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen