Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 90 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 486 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{4}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 720 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 75 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{4}\times 168=7\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{8}{10}\times 90=24\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{6}\times 252=12\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{7}\times 168=8\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{7}{10}\times 560=294\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{5}{6}\times 486=180\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{6}\times 480=40\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{3}\times 216=18\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{3}\times 210=28\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{4}{8}\times 720=288\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{8}\times 560=30\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{5}\times 75=5\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)