Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 800 dozen zijn \(\frac{5}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 490 werknemers zijn \(\frac{8}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 112 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 400 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 432 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 300 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 80 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 486 prullen zijn \(\frac{6}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 81 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{10}\times\frac{5}{8}\times 800=250\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{6}\times 210=112\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{8}{10}\times\frac{4}{7}\times 490=224\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{4}\times 112=16\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{5}\times\frac{6}{10}\times 400=48\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{8}\times 432=84\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{10}\times 300=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{10}\times 120=6\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{4}\times 80=10\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{6}\times 486=270\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{6}{9}\times\frac{1}{3}\times 81=18\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{3}{6}\times\frac{3}{6}\times 144=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-24 22:57:47
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen