Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 450 werknemers zijn \(\frac{2}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 135 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 135 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 60 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 48 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 27 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 378 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{9}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 81 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 147 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{10}\times\frac{3}{5}\times 450=54\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{2}{5}\times\frac{5}{9}\times 135=30\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{9}\times 135=30\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 60=12\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{10}\times 200=12\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 48=8\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 27=3\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{1}{9}\times\frac{4}{7}\times 378=24\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{7}\times 280=72\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{3}\times 81=24\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{4}{7}\times\frac{6}{7}\times 147=72\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{8}\times 96=45\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-10-17 02:26:12
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen