Reken uit
- \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 108 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{3}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 324 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 144 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{7}\times 504=108\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{3}\times 108=48\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{3}\times 84=7\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{5}\times 210=72\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{5}\times 180=96\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{3}\times 270=54\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{4}\times 160=20\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{3}\times 168=49\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{7}{9}\times 324=84\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{4}\times 144=12\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{6}{8}\times 224=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{5}\times 225=25\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)