Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{3}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 400 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 125 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 405 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 800 leerlingen zijn \(\frac{1}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 567 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{10}\times 480=48\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  2. \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{8}\times 288=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{4}{5}\times\frac{9}{10}\times 400=288\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{5}\times 125=15\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{6}\times 72=6\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{1}{5}\times\frac{6}{9}\times 405=54\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{1}{10}\times\frac{6}{10}\times 800=48\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{4}{7}\times\frac{7}{8}\times 224=112\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 90=6\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{9}\times 216=48\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{2}{4}\times\frac{9}{10}\times 160=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{1}{9}\times\frac{5}{9}\times 567=35\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-02 04:42:00
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen