Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 243 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 450 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 250 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 196 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 135 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 108 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 400 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{9}\times\frac{7}{9}\times 243=63\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{10}\times 450=81\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{9}{10}\times\frac{3}{5}\times 250=135\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{7}\times 196=14\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{8}{10}\times 240=64\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 96=8\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{10}\times 630=84\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{6}\times 168=63\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 135=72\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{9}\times 108=32\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{6}\times 90=10\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{8}\times 400=80\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-13 23:31:14
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen