Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 108 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{1}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 126 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 576 dozen zijn \(\frac{6}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 576 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{3}\times 120=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{6}\times 108=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{1}{8}\times\frac{8}{10}\times 480=48\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{6}\times 126=24\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{4}\times 160=30\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{6}{8}\times\frac{1}{8}\times 576=54\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{4}\times 168=12\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{3}{8}\times\frac{4}{7}\times 280=60\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{4}{8}\times\frac{3}{9}\times 576=96\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{5}{10}\times\frac{1}{5}\times 300=30\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{3}\times 60=30\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{5}\times 320=96\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-02 00:41:37
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen