Reken uit
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 315 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 420 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 432 prullen zijn \(\frac{6}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 252 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 108 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 192 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 162 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 54 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{6}\times 180=72\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{7}\times 315=72\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{4}{7}\times 420=80\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{6}\times 432=240\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{6}\times 252=70\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{9}\times 108=45\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{4}\times 192=84\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{6}\times 162=45\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{4}\times 140=63\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{9}\times 270=60\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{10}\times 200=80\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{3}\times 54=3\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)