Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 350 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 100 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 600 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 100 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 378 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 324 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 84 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 256 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{7}\times 350=60\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{4}\times 100=10\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{4}\times\frac{7}{10}\times 160=56\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{1}{6}\times\frac{8}{10}\times 600=80\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{5}\times 100=16\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{3}{5}\times\frac{7}{8}\times 160=84\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{9}\times 378=35\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{4}\times 324=72\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{9}\times 360=48\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{3}\times 84=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{10}\times 300=120\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{6}{8}\times 256=144\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-06 04:27:54
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen