Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 576 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 567 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 448 dozen zijn \(\frac{3}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 84 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 48 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 315 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{9}\times 576=48\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{9}\times 567=81\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{9}\times 180=40\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{4}\times 96=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{3}{8}\times\frac{4}{8}\times 448=84\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{3}\times 84=16\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{4}\times 144=48\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 48=3\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{5}\times 240=16\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{7}\times 280=64\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{5}\times 315=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{7}{8}\times\frac{3}{6}\times 240=105\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-06 11:36:38
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen