Reken uit
- \(\)In een doos met 350 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 576 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 196 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 108 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 378 prullen zijn \(\frac{3}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 640 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{10}\times 350=84\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{7}\times 420=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{8}\times 576=32\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{4}\times 196=21\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{9}\times 108=16\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{8}\times 200=20\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{6}\times 378=42\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{7}\times 560=140\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{6}\times 120=16\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{8}\times 640=80\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{5}{9}\times 270=60\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{3}\times 216=72\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)