Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 540 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 480 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{5}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 36 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 75 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 800 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 486 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{6}\times\frac{6}{9}\times 540=240\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{4}\times 240=50\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{6}\times 480=128\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{6}\times 120=20\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{4}{6}\times 480=40\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{5}\times 180=60\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 36=3\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{5}\times 75=20\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{8}{10}\times 800=512\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{6}\times 216=72\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{5}\times 200=90\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{2}{6}\times 486=18\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)