Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 147 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 189 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 405 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 245 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 105 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 567 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 162 dozen zijn \(\frac{8}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 490 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{8}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{7}\times 147=18\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{7}\times\frac{6}{8}\times 504=108\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{3}\times 189=70\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{3}{5}\times\frac{7}{9}\times 405=189\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{9}\times 252=21\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{7}\times 245=42\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  7. \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{3}\times 105=15\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{9}\times\frac{3}{7}\times 567=54\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{6}\times 162=48\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{5}{10}\times\frac{1}{7}\times 490=35\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{4}{8}\times\frac{3}{4}\times 224=84\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{4}\times 120=48\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-30 04:15:42
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen