Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 175 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 392 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{3}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{6}\times 180=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{3}{8}\times\frac{5}{10}\times 320=60\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{5}\times 175=20\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{8}\times 288=81\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{9}\times 216=40\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{8}\times 392=63\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{8}\times 200=20\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 90=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  9. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{6}\times 90=20\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{6}\times 270=45\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{8}\times 96=4\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{10}\times 160=16\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-01 20:53:33
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen