Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 315 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 400 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 48 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{6}\times 288=96\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{5}\times 270=54\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  3. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{4}\times 140=21\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{9}{10}\times\frac{3}{4}\times 160=108\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{10}\times 90=9\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{6}\times 180=20\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{7}\times 252=18\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{3}{5}\times\frac{7}{9}\times 315=147\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  9. \(\frac{1}{4}\times\frac{9}{10}\times 400=90\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{4}\times 48=16\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{9}{10}\times\frac{5}{7}\times 560=360\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{6}\times 72=27\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-30 16:59:22
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen