Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 288 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 108 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 168 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{3}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 126 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 252 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 112 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{4}\times 224=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{4}\times 288=126\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{4}\times 108=36\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{3}\times 216=32\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{6}\times 168=28\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{4}\times 280=21\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{10}\times 150=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{3}\times 126=24\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{3}\times 240=70\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{10}\times 180=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{2}{6}\times\frac{5}{7}\times 252=60\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{4}\times 112=42\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-08 19:55:17
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen