Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{4}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 108 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 448 werknemers zijn \(\frac{2}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{10}\times\frac{5}{8}\times 320=140\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{4}\times 224=32\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{6}{9}\times\frac{2}{3}\times 108=48\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{8}\times 200=30\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{5}\times 210=14\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{8}\times 448=14\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{5}\times 150=80\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{9}{10}\times\frac{3}{4}\times 160=108\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{2}{7}\times\frac{6}{8}\times 168=36\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{7}\times 378=180\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 84=21\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{6}\times 216=120\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-06 09:29:30
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen