Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 252 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 336 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 128 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 432 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{3}\times 90=24\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{7}\times 140=12\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{8}{9}\times 162=96\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{9}\times 252=21\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{7}{9}\times\frac{5}{8}\times 720=350\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{4}\times 60=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{6}\times 336=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{4}\times 128=16\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{10}\times 320=16\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{6}\times 216=9\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{1}{6}\times\frac{3}{9}\times 432=24\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{5}\times\frac{8}{10}\times 300=48\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-06 23:54:07
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen