Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 225 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 450 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 384 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 175 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 245 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{2}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 420 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{5}\times\frac{6}{9}\times 225=30\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{8}\times 216=108\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{6}\times 90=30\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{6}{10}\times\frac{3}{5}\times 450=162\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{4}\times 168=70\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{8}\times 384=24\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{9}\times 378=112\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{7}\times 175=20\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{5}\times 245=14\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{5}\times 200=40\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{2}{6}\times\frac{5}{7}\times 420=100\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{10}\times 320=48\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-24 08:04:53
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen