Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 540 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 189 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 700 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 72 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 576 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 60 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 189 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 45 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{4}\times 216=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{6}\times\frac{6}{9}\times 540=120\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{7}\times 189=27\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{10}\times 700=10\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{8}\times 72=12\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{4}{8}\times\frac{3}{8}\times 576=108\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{9}\times 180=16\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{3}\times 120=70\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{5}\times 60=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{7}\times 140=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{3}\times 189=18\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{3}\times 45=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-03 10:08:54
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen