Reken uit
- \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 630 leerlingen zijn \(\frac{2}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 600 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 315 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 420 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 256 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 196 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{5}\times\frac{6}{9}\times 225=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{4}{5}\times 160=96\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{9}{10}\times 240=54\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{4}{7}\times 630=72\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{6}{10}\times 600=180\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{8}{9}\times 315=160\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{6}\times 216=36\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{4}{6}\times 420=252\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{9}{10}\times 270=54\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{4}\times 72=30\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{8}\times 256=120\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{7}\times 196=21\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)