Reken uit
- \(\)In een school met 300 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{2}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 378 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 75 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{6}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{4}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 336 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{10}\times 300=6\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{7}\times 504=80\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{6}\times 240=10\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{1}{6}\times 378=21\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{3}\times 75=10\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{8}\times 224=28\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{8}\times 216=90\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{4}\times 280=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{4}\times 240=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{5}\times 150=20\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{10}\times 120=27\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{4}{6}\times 336=160\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)