Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 378 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 405 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 147 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 576 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 540 dozen zijn \(\frac{2}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 256 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 108 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 450 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{3}\times 72=42\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{3}\times 240=128\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{4}\times 144=6\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{9}\times 378=84\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{7}{9}\times 405=140\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{7}\times 147=14\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{7}{9}\times 576=280\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{3}{6}\times 540=54\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{8}\times 256=32\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{3}\times 108=36\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{8}{9}\times 450=360\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{10}\times 560=120\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)