Reken uit
- \(\)In een school met 189 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{8}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 1000 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 252 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{3}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{3}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 64 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{7}\times 189=54\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{4}\times 120=6\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{3}{6}\times 240=96\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{3}\times 168=14\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{5}{7}\times 630=180\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{5}\times 300=126\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{10}\times 1000=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{4}\times 252=27\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{4}\times 280=21\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{6}{8}\times 320=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{6}{9}\times 360=120\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 64=4\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)