Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 315 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 108 prullen zijn \(\frac{4}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 250 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 486 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{4}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{5}\times 315=168\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{4}\times 108=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{4}\times 192=24\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{6}{9}\times 216=108\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{10}\times 630=63\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{10}\times 540=72\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{5}\times 250=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{7}\times 280=32\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{5}{6}\times\frac{3}{9}\times 486=135\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{6}\times 270=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{4}\times 140=30\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{4}{10}\times\frac{3}{8}\times 400=60\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-02 10:41:10
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen