Reken uit
- \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 900 dozen zijn \(\frac{8}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 90 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 140 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 63 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{5}\times 140=7\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{4}\times 144=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{8}{9}\times 900=640\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{5}\times 90=24\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{7}\times 280=96\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{3}\times 120=60\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{9}\times 252=14\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{3}\times 210=50\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{8}{10}\times 360=160\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{4}\times 140=42\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{7}\times 63=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{6}\times 150=80\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)