Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 135 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 72 dozen zijn \(\frac{2}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 108 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 225 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 144 dozen zijn \(\frac{3}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 384 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 324 dozen zijn \(\frac{2}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 245 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 135=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{3}\times 72=6\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{6}\times 108=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{6}{9}\times\frac{1}{3}\times 270=60\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{1}{9}\times\frac{1}{5}\times 225=5\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{3}{9}\times\frac{1}{4}\times 144=12\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{8}\times 384=16\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{4}{7}\times\frac{5}{8}\times 224=80\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{2}{5}\times\frac{5}{9}\times 225=50\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{9}\times\frac{6}{9}\times 324=48\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{5}\times 245=126\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{5}{6}\times\frac{3}{4}\times 168=105\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-18 00:22:22
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen