Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 48 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 900 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 63 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{6}\times 144=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{4}\times 48=18\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{6}{9}\times\frac{7}{10}\times 900=420\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{10}\times 480=160\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{4}\times\frac{9}{10}\times 120=27\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{3}{8}\times\frac{6}{7}\times 504=162\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{7}{10}\times\frac{2}{5}\times 150=42\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 120=30\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{4}{9}\times\frac{4}{7}\times 252=64\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{7}\times 84=8\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{4}\times 192=32\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  12. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{3}\times 63=18\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-15 10:22:19
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen