Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 500 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 448 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 175 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 315 dozen zijn \(\frac{2}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 84 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{10}\times 500=60\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{7}\times 189=36\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{7}\times 350=20\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{1}{8}\times\frac{7}{8}\times 448=49\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{6}\times\frac{6}{9}\times 216=24\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{5}\times 175=14\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 90=20\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{7}\times 315=20\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  9. \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{5}\times 200=5\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{4}\times 84=54\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{4}\times 240=18\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{7}\times 210=80\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-07 19:44:25
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen