Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 420 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 640 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 378 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 135 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 108 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 225 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 441 prullen zijn \(\frac{8}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{6}\times 420=147\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{6}{8}\times\frac{4}{10}\times 640=192\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{7}\times 378=45\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{3}\times 240=56\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{9}\times 135=60\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{3}\times 168=40\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{6}\times 108=24\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{10}\times 120=28\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{4}\times 168=60\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{5}\times 225=20\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{8}{9}\times\frac{5}{7}\times 441=280\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{8}\times 320=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-29 17:50:30
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen