Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 250 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 112 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 450 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 420 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 432 werknemers zijn \(\frac{3}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 800 dozen zijn \(\frac{3}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 320 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{5}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 700 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{5}\times 250=80\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{7}\times 84=32\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{4}\times 112=36\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{10}\times 450=54\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{2}{6}\times\frac{7}{10}\times 420=98\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{7}\times 210=6\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{3}{9}\times\frac{4}{6}\times 432=96\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{10}\times 800=90\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  9. \(\frac{4}{5}\times\frac{6}{8}\times 320=192\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{1}{9}\times\frac{1}{4}\times 288=8\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{5}{10}\times\frac{1}{3}\times 120=20\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{6}{10}\times\frac{4}{10}\times 700=168\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-04 19:15:42
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen