Reken uit
- \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 512 prullen zijn \(\frac{6}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 384 dozen zijn \(\frac{1}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 54 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 315 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 294 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{8}\times\frac{5}{7}\times 168=75\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{4}\times 320=16\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{5}{8}\times 512=240\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{5}{6}\times 240=180\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{9}\times 216=72\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{10}\times 630=270\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{5}\times 270=9\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{6}\times 384=16\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 54=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{7}\times 315=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{8}{9}\times 378=56\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{5}{6}\times 294=175\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)