Reken uit
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{2}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 144 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 288 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 245 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 84 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{1}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 200 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{3}\times 240=144\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{9}{10}\times 630=126\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{8}\times 144=36\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{8}\times 288=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{3}\times 210=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{7}\times 245=56\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{7}\times 84=4\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{6}\times 240=30\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{10}\times 180=30\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{2}{5}\times 200=8\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{10}\times 200=20\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{4}\times 240=60\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)