Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 45 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 256 dozen zijn \(\frac{4}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 63 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{3}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 196 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 48 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 48 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{8}{10}\times 240=96\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 45=3\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{4}\times 256=64\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{5}\times 160=32\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 63=7\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{6}\times 480=60\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{6}{7}\times 105=54\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  8. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{7}\times 196=14\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 48=4\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{4}\times 48=9\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{4}\times 216=108\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{4}\times 240=18\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-10 22:44:36
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen