Reken uit
- \(\)In een doos met 81 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 80 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 315 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 300 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{1}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 150 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 384 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{9}\times 81=12\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{5}\times 80=24\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{4}{7}\times 560=80\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{7}\times 315=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{10}\times 300=25\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{6}\times 90=30\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{5}{6}\times 144=45\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{1}{3}\times 270=10\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{1}{3}\times 150=25\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{6}\times 150=25\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{6}{8}\times 384=240\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{8}{9}\times 180=128\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)