Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 720 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 490 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{6}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 45 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{3}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{10}\times 720=108\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{8}{10}\times\frac{5}{7}\times 490=280\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{3}\times 96=20\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{7}\times 630=300\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{5}\times 120=36\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{8}{9}\times 360=128\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{10}\times 200=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{4}{8}\times\frac{3}{9}\times 288=48\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 72=16\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{6}\times 210=42\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{3}\times 45=6\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{3}{10}\times\frac{3}{4}\times 200=45\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-07 07:34:38
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen