Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 450 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 378 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 384 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{4}\times 240=126\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{3}\times 150=30\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{8}\times 192=30\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{5}\times 150=27\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{3}{9}\times\frac{1}{5}\times 270=18\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  6. \(\frac{1}{10}\times\frac{6}{7}\times 420=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 120=48\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{10}\times 450=75\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{3}{7}\times\frac{8}{9}\times 378=144\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{5}\times 90=60\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{6}\times 180=3\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{6}\times 384=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-06 15:38:18
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen