Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 512 dozen zijn \(\frac{4}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 96 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 392 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 144 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 192 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 450 dozen zijn \(\frac{6}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 800 leerlingen zijn \(\frac{3}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{7}\times 105=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{4}{8}\times\frac{5}{8}\times 512=160\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 96=8\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{10}\times 200=15\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{5}{7}\times\frac{6}{8}\times 392=210\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{6}\times 144=40\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{6}\times 192=8\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{6}{9}\times\frac{3}{5}\times 450=180\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{1}{6}\times\frac{4}{7}\times 378=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{3}{10}\times\frac{8}{10}\times 800=192\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{2}{8}\times\frac{3}{4}\times 288=54\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{5}{10}\times\frac{1}{3}\times 210=35\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-09 23:04:06
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen