Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 648 werknemers zijn \(\frac{5}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 500 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 54 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 252 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 144 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 560 dozen zijn \(\frac{8}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 160=10\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{5}{9}\times\frac{5}{9}\times 648=200\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{6}\times 168=105\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{10}\times 500=45\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{4}{8}\times\frac{4}{10}\times 240=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{6}\times 54=30\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{6}{9}\times\frac{1}{4}\times 252=42\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{8}\times 240=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{6}\times 144=80\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{8}\times 560=56\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{1}{9}\times\frac{5}{10}\times 270=15\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{3}\times 270=90\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-03 20:35:56
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen