Reken uit
- \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 600 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{3}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 1000 prullen zijn \(\frac{6}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 112 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{2}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{7}\times\frac{4}{5}\times 140=32\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{2}{6}\times 600=140\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{7}\times 210=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{7}{8}\times 280=196\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 96=8\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{10}\times 1000=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{4}\times 112=42\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{6}\times 162=27\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{5}{9}\times 216=30\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 120=20\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{5}\times 120=8\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{3}\times 90=20\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)