Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 392 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 147 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 112 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 500 dozen zijn \(\frac{9}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 48 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{9}\times 324=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{8}\times 320=64\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{10}\times 300=60\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{8}\times 392=21\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{7}\times 147=42\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{5}\times 105=3\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{1}{4}\times\frac{5}{7}\times 112=20\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 72=16\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{5}\times 500=90\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{3}\times 48=16\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{4}\times 240=126\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{3}\times 210=20\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-24 00:54:52
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen