Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 105 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 200 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{5}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 243 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 192 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 75 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{3}\times 105=5\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{10}\times 200=4\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{3}{4}\times\frac{8}{10}\times 160=96\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{8}{9}\times 216=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 168=14\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{5}{10}\times\frac{4}{6}\times 180=60\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{1}{6}\times\frac{6}{9}\times 216=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{3}\times 210=28\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{9}\times 243=42\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{1}{6}\times\frac{7}{8}\times 192=28\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{5}\times 75=20\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{2}{7}\times\frac{6}{8}\times 168=36\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-07 05:25:12
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen