Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 135 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{8}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 150 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 144 dozen zijn \(\frac{6}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 392 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{6}\times 90=30\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{3}\times 90=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{5}\times 135=9\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{3}\times 189=28\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{10}\times 270=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{1}{6}\times\frac{3}{7}\times 210=15\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{8}\times 280=28\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{10}\times 150=15\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  9. \(\frac{6}{8}\times\frac{4}{6}\times 144=72\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 120=16\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{3}{5}\times\frac{5}{7}\times 140=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{7}\times 392=120\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-14 15:09:45
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen