Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 128 dozen zijn \(\frac{2}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 450 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 196 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 256 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 175 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 500 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 560 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 140 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 720 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{4}\times 128=16\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{4}{5}\times 450=36\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{7}\times 196=28\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{8}\times 256=32\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{5}\times 175=21\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{10}\times 500=120\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{1}{3}\times 162=6\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 150=20\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{6}{10}\times 560=288\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{8}\times 280=150\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{4}\times 140=30\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{5}{8}\times 720=315\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)