Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 63 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{9}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 540 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 196 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 640 dozen zijn \(\frac{7}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{3}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 600 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 567 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{10}\times 350=25\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{7}\times 63=30\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{9}{10}\times\frac{3}{4}\times 120=81\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{9}{10}\times\frac{5}{6}\times 540=405\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{7}\times 196=56\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{7}{8}\times\frac{3}{10}\times 640=168\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{8}\times 224=28\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{7}{9}\times 288=56\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{3}{9}\times\frac{6}{10}\times 630=126\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{10}\times 600=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{4}\times 192=12\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{1}{9}\times\frac{4}{7}\times 567=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-16 20:23:03
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen