Reken uit
- \(\)In een doos met 112 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 36 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{6}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 384 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 441 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{4}\times 112=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{3}\times 36=6\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{3}\times 210=120\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{6}\times 240=96\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{7}\times 168=16\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{5}\times 180=36\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{7}{8}\times 384=280\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{7}\times 210=10\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{5}{10}\times 180=75\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{9}\times 441=42\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{9}\times 252=21\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{6}\times 210=30\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)