Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 147 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 576 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{4}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 100 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 630 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 60 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{3}\times 147=42\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{8}\times 224=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{3}{8}\times\frac{8}{9}\times 576=192\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{4}\times 120=60\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{7}\times 140=50\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{6}\times 216=16\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{6}\times 210=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{5}\times 100=30\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{6}\times 180=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{8}\times 168=42\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{7}\times 630=40\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 60=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-15 16:24:49
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen