Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 600 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 540 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 245 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 63 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 192 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 108 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 147 werknemers zijn \(\frac{6}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{10}\times\frac{6}{10}\times 600=72\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{4}{6}\times\frac{5}{9}\times 540=200\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{4}{7}\times\frac{4}{7}\times 245=80\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{7}{9}\times\frac{4}{5}\times 180=112\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{7}\times 63=6\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{1}{8}\times\frac{3}{6}\times 192=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{3}\times 108=30\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  8. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{10}\times 320=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{4}\times 324=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{10}\times 720=126\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{3}{5}\times\frac{5}{8}\times 280=105\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{3}\times 147=84\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-03 00:17:53
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen