Reken uit
- \(\)In een doos met 560 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 108 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 125 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 175 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 224 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{8}\times\frac{8}{10}\times 560=56\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{4}\times 108=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{5}\times 125=60\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{6}\times 90=15\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{9}\times 288=80\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{3}\times 144=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{5}\times 175=20\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{7}\times 210=10\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{8}\times 240=12\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{5}\times 180=120\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{7}{9}\times 270=140\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{7}\times 224=96\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)