Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 63 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 162 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 504 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 175 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 560 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 243 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 560 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{5}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{7}\times 63=6\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{3}{6}\times\frac{5}{9}\times 162=45\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{8}\times 504=72\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{4}\times 84=6\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{8}\times 192=72\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{5}\times 175=45\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{7}\times 420=40\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{7}\times 560=32\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 144=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{1}{9}\times\frac{6}{9}\times 243=18\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{7}\times 560=30\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{4}\times 216=60\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-16 08:20:05
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen