Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{3}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 108 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 600 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 72 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{6}\times\frac{4}{5}\times 270=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{8}\times 240=18\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{6}\times 240=40\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{9}\times 180=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{6}\times 252=72\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{9}\times 108=20\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{2}{5}\times\frac{6}{7}\times 105=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{6}\times 210=7\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{3}{6}\times\frac{5}{10}\times 600=150\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{4}\times 168=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{6}\times 72=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{7}\times 224=96\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-05 06:26:34
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen