Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 75 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 432 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 560 dozen zijn \(\frac{2}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 175 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 128 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 162 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 448 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{9}\times 360=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{3}\times 75=15\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{1}{9}\times\frac{2}{6}\times 432=16\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{3}\times 210=7\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{7}\times 560=32\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{9}\times 270=60\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{7}\times 175=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{1}{6}\times\frac{7}{10}\times 300=35\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{4}\times 128=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{9}\times 162=36\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{8}\times 448=48\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{5}\times 360=64\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-30 06:55:01
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen