Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 175 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 384 dozen zijn \(\frac{3}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 720 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 250 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 162 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 75 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{4}\times 120=60\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{2}{7}\times\frac{4}{5}\times 175=40\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{3}\times 168=16\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{6}\times 384=72\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{3}{8}\times\frac{8}{10}\times 720=216\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{5}\times 250=40\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{7}{8}\times 240=140\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{5}\times 320=72\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  9. \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{3}\times 162=72\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{7}\times 105=15\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{7}\times 105=12\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 75=30\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-28 21:15:07
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen