Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 168 dozen zijn \(\frac{5}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 350 werknemers zijn \(\frac{4}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 72 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{4}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 350 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{3}\times 168=70\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{7}\times 350=120\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{6}{7}\times 350=120\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{6}{8}\times 224=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 120=10\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{4}{5}\times 120=12\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 72=32\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{5}{10}\times 400=75\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{3}\times 180=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{7}{10}\times 300=140\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{10}\times 400=40\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{1}{5}\times 350=7\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)