Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 432 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 378 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{2}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 350 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 900 werknemers zijn \(\frac{5}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{8}\times\frac{4}{10}\times 240=84\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{5}\times 210=72\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{1}{4}\times\frac{5}{10}\times 280=35\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{8}{9}\times\frac{3}{8}\times 432=144\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{6}\times 378=36\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{4}\times 120=6\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{4}\times 224=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{5}\times 200=16\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{3}{5}\times\frac{7}{10}\times 350=147\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{6}{9}\times 252=126\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{5}{9}\times\frac{7}{10}\times 900=350\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{7}{10}\times\frac{4}{6}\times 240=112\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-06 06:39:27
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen