Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 36 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 125 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 100 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 432 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 175 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 720 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 350 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{9}\times\frac{3}{8}\times 504=147\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 36=4\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{5}\times 125=20\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{3}\times 168=16\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{10}\times 120=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{4}\times 100=20\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{6}\times 432=96\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{4}{5}\times\frac{6}{7}\times 175=120\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{6}{10}\times\frac{4}{7}\times 280=96\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{7}{8}\times\frac{8}{9}\times 720=560\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{7}\times 168=12\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{10}\times 350=14\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-11 06:23:09
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen