Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 90 dozen zijn \(\frac{2}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 150 dozen zijn \(\frac{1}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 630 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 486 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{7}{9}\times\frac{4}{10}\times 270=84\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{3}\times 90=12\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{3}{5}\times 150=9\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{5}{7}\times 168=105\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{9}\times 630=30\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{3}\times 120=25\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{5}{8}\times 240=60\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{7}\times 280=16\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{4}{10}\times 240=16\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{5}{9}\times 486=135\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{4}\times 288=32\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{5}{6}\times 480=200\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)