Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{2}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 315 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 450 werknemers zijn \(\frac{3}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 567 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 350 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 420 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 147 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{4}\times 288=32\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{4}\times 72=15\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{7}\times 315=72\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{3}{9}\times\frac{4}{5}\times 450=120\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{6}{7}\times\frac{8}{9}\times 567=432\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{1}{8}\times\frac{3}{6}\times 144=9\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{10}\times 240=48\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{5}\times 350=14\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{6}\times 420=14\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 90=12\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{7}\times 147=14\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{7}\times 126=6\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-14 06:26:58
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen