Reken uit
- \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 320 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 36 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 405 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 250 dozen zijn \(\frac{9}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{4}\times 160=64\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{3}\times 126=60\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{5}{7}\times 280=125\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{8}\times 504=45\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{6}\times 120=40\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{4}\times 320=50\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 36=9\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{3}\times 144=48\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{7}\times 280=24\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{10}\times 150=10\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{5}{9}\times 405=135\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{5}\times 250=90\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)