Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{5}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 900 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 400 dozen zijn \(\frac{7}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 600 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 432 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 504 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 256 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 63 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{7}\times 224=40\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{5}\times 300=200\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{7}{10}\times\frac{5}{9}\times 900=350\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{7}{10}\times\frac{2}{10}\times 400=56\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{7}\times 140=32\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{5}{10}\times\frac{4}{6}\times 600=200\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 160=10\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{2}{9}\times\frac{1}{4}\times 144=8\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{5}{9}\times\frac{5}{6}\times 432=200\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{5}{7}\times\frac{4}{8}\times 504=180\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{8}\times 256=96\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{3}\times 63=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-17 07:42:37
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen