Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 810 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 567 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 252 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 54 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{10}\times\frac{8}{9}\times 810=288\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{6}{8}\times\frac{8}{10}\times 480=288\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{6}\times\frac{3}{4}\times 240=30\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{10}\times 150=10\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{7}{9}\times\frac{1}{7}\times 567=63\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{7}\times 252=72\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{5}\times 200=32\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{6}\times 126=28\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{5}\times 200=8\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{3}\times 54=6\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{8}\times 400=80\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{3}\times 120=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-17 22:06:40
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen