Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{4}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 294 dozen zijn \(\frac{2}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 600 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 36 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{9}\times\frac{5}{6}\times 540=200\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{4}\times 160=40\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{2}{7}\times\frac{5}{6}\times 294=70\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{6}\times 210=28\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{8}{10}\times\frac{5}{6}\times 600=400\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  6. \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{4}\times 240=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 36=6\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{8}\times 200=40\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{5}\times 105=9\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{3}\times 72=6\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{3}{10}\times\frac{5}{10}\times 300=45\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{9}\times 144=48\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-18 13:15:40
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen