Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 320 dozen zijn \(\frac{6}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 63 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 315 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 700 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{6}{8}\times\frac{8}{10}\times 320=192\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{5}\times 105=36\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{4}\times 224=16\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{3}\times 63=6\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{3}\times 150=40\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{7}\times 140=50\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{10}\times 280=12\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{7}\times 315=54\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{2}{7}\times 700=120\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{10}\times 300=6\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{3}\times 144=48\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{10}\times 90=6\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)