Reken uit
- \(\)In een doos met 126 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 315 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 810 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{6}\times 126=90\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{6}\times 144=12\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{5}\times 90=12\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{3}\times 162=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{4}\times 240=108\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{10}\times 120=4\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{7}\times 315=54\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{6}\times 180=30\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{9}\times 810=50\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{8}{9}\times 162=96\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{9}\times 270=30\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{3}{6}\times 480=24\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)