Reken uit
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 135 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 810 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 720 dozen zijn \(\frac{6}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{2}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{7}\times\frac{4}{6}\times 210=80\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{6}{7}\times 252=24\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 135=27\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{1}{9}\times 810=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{10}\times 720=108\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{4}\times 200=30\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{5}{6}\times 240=40\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{6}{9}\times 540=144\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 96=24\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{1}{6}\times 324=18\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{3}{6}\times 144=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{7}\times 168=16\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)