Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 504 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 432 dozen zijn \(\frac{5}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 486 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 720 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 196 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 96 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{10}\times\frac{3}{6}\times 240=48\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{6}\times 120=32\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{5}{10}\times\frac{6}{9}\times 720=240\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{8}\times 504=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{6}\times 432=40\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{8}\times 160=10\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{3}{9}\times\frac{5}{9}\times 486=90\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{2}{9}\times\frac{1}{10}\times 720=16\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{1}{4}\times\frac{6}{7}\times 196=42\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{8}\times 144=60\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  11. \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{5}\times 280=49\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 96=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-21 17:08:02
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen