Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 315 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 108 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 384 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 450 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{5}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 192 dozen zijn \(\frac{3}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{7}\times 315=18\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{3}\times 108=18\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{3}{8}\times\frac{5}{6}\times 336=105\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{8}\times 384=72\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{6}\times 210=112\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{10}\times 200=32\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{9}\times\frac{8}{10}\times 450=40\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{5}\times 140=21\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{5}{8}\times\frac{5}{9}\times 720=250\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{7}\times 336=96\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{5}\times 240=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{3}{6}\times\frac{7}{8}\times 192=84\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-10-19 21:33:57
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen