Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 75 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 350 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 112 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 504 werknemers zijn \(\frac{1}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{3}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{3}\times 75=20\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{8}{9}\times 144=64\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{8}{10}\times 350=40\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{8}\times 200=5\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{4}\times 112=16\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{7}\times 280=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{6}\times 126=54\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{7}\times 504=18\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{4}\times 160=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{5}\times 140=7\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{4}\times 168=14\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{4}{5}\times 210=24\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)