Reken uit
- \(\)In een school met 630 leerlingen zijn \(\frac{1}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 500 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 240 dozen zijn \(\frac{9}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 441 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 48 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 45 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 54 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{10}\times\frac{7}{9}\times 630=49\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{9}{10}\times 500=180\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{6}\times 120=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{4}{7}\times 252=48\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{3}\times 240=72\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{7}\times 441=27\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 105=42\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 105=56\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 48=3\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{5}\times 240=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 45=10\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{3}\times 54=6\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)