Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 243 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 252 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 432 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 324 dozen zijn \(\frac{5}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 800 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 490 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 64 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 80 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 225 prullen zijn \(\frac{3}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{9}\times 243=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{9}\times 252=20\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{9}\times 432=96\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{4}\times 324=45\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{5}{8}\times\frac{5}{10}\times 800=250\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  6. \(\frac{5}{10}\times\frac{6}{7}\times 490=210\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{4}\times 64=16\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{6}\times 126=18\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{5}\times 80=24\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{5}\times 225=30\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{9}\times 270=6\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{2}{10}\times\frac{4}{6}\times 540=72\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-28 21:13:48
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen