Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 96 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 175 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 63 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{9}\times\frac{3}{4}\times 180=30\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{1}{6}\times\frac{3}{10}\times 180=9\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{3}\times 96=16\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{10}\times 280=14\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{7}\times 175=15\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{7}{9}\times\frac{1}{5}\times 270=42\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{9}{10}\times 210=63\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{6}\times 252=72\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{3}\times 63=36\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{4}\times 180=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{7}\times 252=20\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{4}\times 96=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-10-15 17:53:32
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen