Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 36 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 800 leerlingen zijn \(\frac{6}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 36 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 135 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 450 dozen zijn \(\frac{2}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 162 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 600 dozen zijn \(\frac{8}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 648 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{3}\times 36=12\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{10}\times 800=120\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 36=16\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{5}\times 180=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{4}{9}\times\frac{4}{5}\times 135=48\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{3}\times 240=144\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{10}\times 120=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{10}\times\frac{3}{5}\times 450=54\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{7}\times 504=81\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{9}\times 162=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{8}{10}\times\frac{8}{10}\times 600=384\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  12. \(\frac{8}{9}\times\frac{7}{8}\times 648=504\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-20 23:51:44
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen