Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 75 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 45 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 350 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 243 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 54 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 84 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{8}\times\frac{4}{6}\times 240=140\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{5}\times 75=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 240=20\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{3}\times 45=9\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{7}\times 350=50\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{4}{9}\times\frac{4}{6}\times 216=64\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{7}{8}\times\frac{8}{9}\times 288=224\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{9}\times 243=12\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{3}\times 54=15\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{9}\times 144=8\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{9}\times 270=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{4}\times 84=3\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-15 15:30:59
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen