Reken uit
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 350 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 256 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 288 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 245 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 392 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{2}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{6}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{10}\times 240=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{6}{7}\times 350=90\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{8}\times 256=16\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{9}\times 288=16\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{3}{8}\times 280=75\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{4}{7}\times 245=120\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{3}{7}\times 392=105\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{8}{10}\times 210=48\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{4}{7}\times 126=12\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{6}\times 120=40\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{9}\times 270=60\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{6}{9}\times 270=108\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)