Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 640 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 48 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 108 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 336 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 256 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{8}\times 640=168\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{7}\times 210=60\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{3}\times 48=8\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{3}\times 108=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{8}{9}\times\frac{4}{8}\times 720=320\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{3}\times 210=20\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{3}{8}\times\frac{5}{6}\times 336=105\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{5}{8}\times\frac{3}{5}\times 240=90\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{2}{6}\times\frac{4}{6}\times 288=64\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{4}\times 224=48\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  11. \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{9}\times 252=12\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{1}{4}\times\frac{6}{8}\times 256=48\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-15 07:50:05
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen