Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 288 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{6}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 63 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 36 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{5}\times 270=96\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{3}\times 180=80\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{7}{8}\times 288=189\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{7}{9}\times 180=70\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{2}{6}\times 300=60\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{4}\times 160=20\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{9}{10}\times 540=162\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{3}\times 63=12\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 144=12\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{3}\times 36=12\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 84=7\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{6}\times 300=50\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)