Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 126 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 700 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 1000 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 900 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 135 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 81 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 108 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 540 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{6}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{6}\times 126=14\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{5}\times 300=40\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{10}\times 700=120\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{9}{10}\times 350=126\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 96=24\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{6}{10}\times 1000=540\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{10}\times 900=80\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{3}\times 135=25\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{3}\times 81=18\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 108=27\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{7}{9}\times 540=140\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{6}\times 162=72\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)