Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 125 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 175 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 720 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 294 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{7}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 189 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{5}\times 200=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{5}\times 125=80\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{7}\times 175=10\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{5}\times 160=72\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{6}\times 300=20\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{7}{9}\times 720=448\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{6}\times 294=105\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{7}\times 210=40\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{4}\times 96=21\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{5}\times 200=30\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{3}\times 189=9\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{5}{7}\times 210=75\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)