Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 486 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 900 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 900 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{5}\times\frac{8}{9}\times 270=192\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{8}{9}\times\frac{5}{8}\times 504=280\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{2}{9}\times\frac{3}{4}\times 144=24\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{9}\times 486=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{7}\times 189=90\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{10}\times 120=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{3}\times 96=16\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{4}{9}\times\frac{5}{10}\times 900=200\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{5}\times 120=6\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{8}\times 224=84\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{5}\times 150=36\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{7}{10}\times\frac{7}{9}\times 900=490\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-22 01:25:13
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen