Reken uit
- \(\)In een school met 420 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{3}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 256 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 441 prullen zijn \(\frac{6}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 245 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 64 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 648 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{10}\times 420=70\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{5}\times 280=63\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{5}\times 200=30\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{6}{8}\times 256=168\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{7}\times 441=168\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{5}{7}\times 245=100\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{6}{8}\times 504=42\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{5}\times 280=32\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{4}\times 64=8\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{4}\times 96=8\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{5}{9}\times 648=315\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{9}\times 216=60\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)