Reken uit
- \(\)In een doos met 810 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 500 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 294 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 800 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 168 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{8}{9}\times\frac{5}{9}\times 810=400\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{9}\times 216=32\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{8}\times 320=35\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{5}\times 500=60\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{7}\times 294=140\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{10}\times 240=80\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{1}{8}\times 720=70\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{3}{6}\times 180=54\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{10}\times 210=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{5}{10}\times 800=280\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{6}\times 168=16\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{5}\times 120=16\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)