Reken uit
- \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 324 dozen zijn \(\frac{2}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 384 dozen zijn \(\frac{7}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 126 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 600 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{3}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 196 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 168 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 450 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{6}\times 324=60\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{10}\times 300=60\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{5}{9}\times 324=40\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{4}{6}\times 384=224\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{3}\times 126=14\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{3}{10}\times 300=15\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{4}{6}\times 600=320\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{6}\times 180=30\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{7}\times 196=28\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{8}\times 168=28\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{3}{4}\times 252=168\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{8}{9}\times 450=80\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)