Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{3}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{4}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 448 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{5}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 378 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 128 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{3}\times 216=32\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{4}\times 200=15\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{4}{9}\times\frac{2}{6}\times 270=40\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{5}\times 150=30\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{9}{10}\times\frac{5}{9}\times 630=315\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{4}\times 120=15\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{8}\times 448=32\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{5}{10}\times\frac{4}{5}\times 200=80\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{5}{10}\times\frac{4}{6}\times 240=80\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{8}{9}\times\frac{5}{7}\times 378=240\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{8}\times 128=4\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{9}\times 162=60\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-18 09:07:11
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen