Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 144 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 64 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 75 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 729 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 105 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{2}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{7}\times\frac{4}{6}\times 126=48\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{6}\times 144=40\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  3. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{9}\times 504=32\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{4}\times 64=24\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{5}\times 75=9\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{9}\times 729=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  7. \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{5}\times 200=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{5}\times 280=48\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{6}\times 270=36\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{3}\times 105=10\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{2}{8}\times\frac{2}{10}\times 480=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{4}\times 324=72\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-12 15:50:06
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen