Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 378 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 245 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 125 werknemers zijn \(\frac{1}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 288 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 225 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 324 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{7}\times 252=9\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{8}\times 168=14\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{5}{10}\times\frac{6}{9}\times 270=90\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{6}\times 270=18\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{7}\times 378=144\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{5}{7}\times\frac{6}{7}\times 245=150\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{5}\times 125=15\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{5}{6}\times\frac{3}{5}\times 270=135\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  9. \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{6}\times 288=16\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{3}{5}\times\frac{8}{9}\times 225=120\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{6}{9}\times\frac{1}{4}\times 324=54\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{9}\times 270=20\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-16 16:14:50
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen