Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 126 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 324 dozen zijn \(\frac{5}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 243 dozen zijn \(\frac{3}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{9}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{6}\times\frac{2}{4}\times 144=48\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{5}\times 105=6\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{4}\times 288=120\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{8}\times 168=35\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{5}{6}\times\frac{5}{7}\times 126=75\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{5}{6}\times\frac{8}{9}\times 324=240\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{6}{10}\times\frac{2}{3}\times 210=84\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{8}\times 192=24\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{5}\times 150=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{3}{9}\times\frac{6}{9}\times 243=54\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{9}{10}\times\frac{6}{7}\times 280=216\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{10}\times 280=72\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-20 20:22:48
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen