Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 126 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 441 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 72 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 400 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 75 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 420 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 147 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 324 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 540 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{6}\times 180=5\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{9}{10}\times 240=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{3}\times 126=21\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{2}{9}\times\frac{4}{7}\times 441=56\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{3}{4}\times\frac{5}{6}\times 72=45\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{1}{4}\times\frac{8}{10}\times 400=80\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{5}\times 75=9\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{7}\times 420=30\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{2}{7}\times\frac{1}{3}\times 147=14\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{2}{9}\times\frac{1}{4}\times 324=18\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{10}\times 540=108\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{8}\times 224=14\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-18 14:14:01
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen