Reken uit
- \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{2}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 315 dozen zijn \(\frac{2}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{2}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 500 dozen zijn \(\frac{1}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 432 dozen zijn \(\frac{8}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 126 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 405 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{6}\times 144=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{3}{4}\times 240=150\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{5}\times 315=54\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{3}\times 189=56\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 105=14\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{3}{5}\times 200=60\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{4}\times 240=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{6}{10}\times 500=30\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{2}{6}\times 216=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{6}\times 432=64\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{7}\times 126=9\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{8}{9}\times 405=40\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)