Reken uit
- \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 420 dozen zijn \(\frac{1}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 162 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 250 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{8}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 84 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 378 werknemers zijn \(\frac{1}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{8}\times 168=14\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{6}\times\frac{6}{10}\times 420=42\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{9}\times 270=20\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{3}\times 120=16\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{3}\times 162=45\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{5}\times 250=30\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{8}\times 320=64\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{5}\times 270=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{6}{7}\times 84=18\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{5}{7}\times 378=30\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{10}\times 210=14\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{4}\times 320=64\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)