Reken uit
- \(\)In een bedrijf met 630 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 80 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 450 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 250 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 420 dozen zijn \(\frac{8}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 576 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 36 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 320 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 126 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{3}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{7}\times 630=54\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{4}\times 80=15\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{6}\times 180=50\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{10}\times 450=75\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{4}{5}\times 250=160\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{6}\times 420=56\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{8}\times 576=108\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{7}{10}\times 210=84\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{4}\times 36=6\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{2}{4}\times 320=140\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{6}{7}\times 126=72\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{9}\times 270=18\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)