Reken uit
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 108 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 144 dozen zijn \(\frac{5}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 567 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 448 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 800 prullen zijn \(\frac{8}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{10}\times 240=64\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{5}\times 200=64\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{7}{10}\times 360=196\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{4}\times 72=18\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{4}\times 252=54\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{6}\times 210=150\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 108=27\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{5}\times 270=144\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{1}{3}\times 144=30\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{9}\times 567=42\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{7}{8}\times 448=245\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{10}\times 800=64\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)