Reken uit
- \(\)In een school met 162 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{1}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{4}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 60 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 810 leerlingen zijn \(\frac{8}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 490 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{2}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 512 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 480 werknemers zijn \(\frac{2}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{6}\times 162=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{6}{10}\times 400=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{4}\times 360=120\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{3}{7}\times 168=54\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{3}\times 168=42\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{6}\times 180=30\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 60=4\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{2}{9}\times 810=144\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{6}{7}\times 490=120\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{5}\times 160=16\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{2}{8}\times 512=16\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{1}{6}\times 480=16\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)