Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 392 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 640 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{1}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 96 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 486 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 480 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{7}\times\frac{5}{8}\times 392=70\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{6}\times 270=108\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{1}{6}\times\frac{5}{6}\times 288=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  4. \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{4}\times 180=25\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{5}\times 150=24\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  6. \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{8}\times 720=162\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{2}{8}\times\frac{6}{10}\times 640=96\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{10}\times 200=15\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{1}{10}\times\frac{2}{3}\times 240=16\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{4}\times 96=18\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  11. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{9}\times 486=90\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{2}{6}\times\frac{7}{8}\times 480=140\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-11 14:23:51
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen