Reken uit
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 343 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{9}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 432 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 392 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{4}\times\frac{8}{9}\times 180=40\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{6}\times 216=18\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{5}{7}\times 343=70\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{6}\times 90=5\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{6}\times 150=10\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{4}\times 140=60\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{1}{9}\times 360=36\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{9}\times\frac{4}{6}\times 432=64\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{3}\times 240=56\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{6}\times 144=80\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{5}\times 280=28\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{4}{7}\times 392=28\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)