Reken uit
- \(\)In een school met 224 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 96 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 64 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 378 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 prullen zijn \(\frac{8}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 490 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 320 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 96 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 378 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 900 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{4}\times 224=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 96=8\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{4}\times 64=8\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{6}\times 378=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{4}{10}\times 360=128\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{6}{7}\times 490=240\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{8}\times 320=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{3}{4}\times 144=12\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{1}{7}\times 280=16\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{3}\times 96=32\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{7}{9}\times 378=147\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{9}{10}\times\frac{2}{9}\times 900=180\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)