Reken uit
- \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{2}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 700 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 378 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 576 dozen zijn \(\frac{6}{8}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 567 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 162 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 250 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{6}\times 252=14\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{3}\times 105=20\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{10}\times\frac{2}{7}\times 700=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{6}\times 378=105\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{5}\times 120=40\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{9}\times 576=96\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{10}\times 180=18\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{9}\times 567=270\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{5}\times 160=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{7}\times 126=15\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{8}{9}\times 162=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{10}\times 250=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)