Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 126 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 125 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 324 werknemers zijn \(\frac{4}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 189 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 105 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 96 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 567 werknemers zijn \(\frac{6}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 243 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 216 leerlingen zijn \(\frac{4}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{8}\times 200=25\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{3}\times 126=28\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{5}\times 125=30\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{6}\times 180=10\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{6}\times 324=24\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{7}\times 189=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{5}\times 105=28\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{8}\times 96=32\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{9}\times 567=54\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{7}{9}\times 243=126\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{8}\times 280=30\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{4}{9}\times\frac{1}{4}\times 216=24\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-05 00:25:57
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen