Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 135 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 225 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 350 dozen zijn \(\frac{5}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 105 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 294 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 252 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{3}\times 135=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{10}\times 240=16\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{4}{5}\times\frac{5}{9}\times 225=100\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{4}\times 288=54\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{5}{10}\times\frac{2}{7}\times 350=50\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{5}\times 105=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{5}{7}\times 350=150\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{6}{10}\times\frac{3}{6}\times 300=90\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{6}\times 294=105\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{4}\times 200=40\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{4}\times 252=112\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{7}\times 168=80\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-30 14:34:51
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen