Reken uit
- \(\)In een school met 392 leerlingen zijn \(\frac{1}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 80 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 48 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{5}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 400 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 432 leerlingen zijn \(\frac{6}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 294 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 640 werknemers zijn \(\frac{5}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 72 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{7}\times 392=16\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{5}\times 80=12\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{4}\times 192=48\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 60=4\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{4}\times 48=8\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{9}{10}\times 350=225\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{7}{10}\times 400=168\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{8}\times\frac{4}{9}\times 432=144\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{6}\times 294=84\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{6}{8}\times 640=240\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{3}\times 72=24\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{3}{7}\times 504=192\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)