Reken uit
- \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 144 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 405 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{5}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{2}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 420 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 168 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 105 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 60 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 128 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{6}{10}\times\frac{3}{5}\times 300=108\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}\times 144=9\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{7}{9}\times 405=63\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{5}\times 120=60\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{8}\times 336=60\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{10}\times 160=48\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{6}\times 420=56\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{7}\times 168=64\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 105=7\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{5}\times 120=12\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 60=15\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{2}{4}\times 128=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)