Reken uit
- \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 800 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 250 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 105 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{6}\times\frac{1}{8}\times 144=12\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{6}\times 72=20\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{9}{10}\times 360=162\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{6}\times 180=20\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{5}{10}\times\frac{1}{10}\times 800=40\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{5}\times 250=30\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{5}\times 105=7\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{3}{7}\times\frac{4}{8}\times 504=108\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{10}\times 300=60\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{6}\times 216=120\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{9}\times\frac{5}{8}\times 360=150\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{4}\times 168=42\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)