Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 75 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 45 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{4}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 630 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 96 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 320 dozen zijn \(\frac{5}{10}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 140 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 560 dozen zijn \(\frac{3}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{5}\times 75=40\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{1}{4}\times\frac{6}{10}\times 200=30\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{1}{3}\times 45=6\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  4. \(\frac{4}{8}\times\frac{1}{4}\times 160=20\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{5}\times 120=6\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{2}{9}\times\frac{8}{10}\times 630=112\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{4}\times 96=12\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{5}{10}\times\frac{3}{4}\times 320=120\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{5}\times 140=24\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{9}{10}\times 180=54\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{3}{10}\times\frac{2}{8}\times 560=42\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{7}{8}\times 120=70\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-22 03:23:36
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen