Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{3}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 90 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 324 prullen zijn \(\frac{3}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 36 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 45 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 324 werknemers zijn \(\frac{1}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{4}\times 180=45\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{6}\times 90=36\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{9}\times 324=24\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{5}{6}\times\frac{3}{4}\times 168=105\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{2}{5}\times\frac{6}{7}\times 210=72\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{3}\times 36=18\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{7}\times 105=25\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{5}\times 200=10\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{10}\times 210=12\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 45=5\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{1}{9}\times\frac{4}{6}\times 324=24\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{2}{5}\times\frac{8}{9}\times 360=128\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-01 07:30:54
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen