Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 90 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{7}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 140 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{2}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 243 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 45 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 135 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 240 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{5}\times 90=36\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{3}{6}\times\frac{1}{3}\times 90=15\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{7}{9}\times\frac{6}{8}\times 360=210\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{4}\times 140=63\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{4}{6}\times\frac{6}{10}\times 360=144\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{6}{7}\times 280=96\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{1}{9}\times\frac{4}{6}\times 324=24\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{8}\times\frac{1}{5}\times 200=10\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{9}\times 243=18\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  10. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 45=20\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{3}\times 135=54\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  12. \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{6}\times 240=128\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-19 17:36:05
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen