Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 500 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een vrachtwagen met 108 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 216 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 126 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 315 stukken snoepgoed zijn \(\frac{8}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 720 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 224 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 630 prullen zijn \(\frac{3}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{10}\times\frac{4}{10}\times 500=40\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{3}\times 108=36\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  3. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{3}\times 216=64\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{6}\times 126=14\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{6}\times 168=42\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{5}\times 315=112\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{4}\times 168=7\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{2}{9}\times\frac{4}{8}\times 720=80\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{7}\times 224=32\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{7}{8}\times 192=56\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{3}{9}\times\frac{6}{7}\times 630=180\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{5}\times 300=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-06-27 03:34:40
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen