Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 315 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 72 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 175 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een school met 720 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{2}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 27 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 90 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 225 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 500 prullen zijn \(\frac{2}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 640 leerlingen zijn \(\frac{1}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{9}\times 315=20\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{5}{6}\times\frac{2}{4}\times 72=30\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{5}\times 175=112\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{10}\times 280=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{3}\times 120=32\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{8}\times 720=189\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  7. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{4}\times 144=16\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{3}\times 27=6\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{6}\times 90=50\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{9}\times 225=80\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{2}{10}\times\frac{4}{5}\times 500=80\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{1}{8}\times\frac{6}{8}\times 640=60\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2025-11-30 20:45:10
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen