Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 700 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 105 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 270 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 600 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 189 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 384 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 648 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 576 dozen zijn \(\frac{6}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 189 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 36 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{10}\times 700=30\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{5}\times 105=21\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{5}{10}\times 270=45\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{2}{6}\times\frac{7}{10}\times 600=140\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{3}{7}\times\frac{2}{3}\times 189=54\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  6. \(\frac{5}{8}\times\frac{7}{8}\times 384=210\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{9}\times 648=128\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{9}\times 324=27\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{6}{9}\times\frac{7}{8}\times 576=336\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{2}{9}\times\frac{2}{7}\times 189=12\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{1}{4}\times\frac{1}{3}\times 36=3\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{8}\times 224=24\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-09-10 15:47:50
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen