Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 180 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 126 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 125 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 480 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 192 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 288 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{4}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{4}\times\frac{5}{7}\times 280=100\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{6}\times\frac{3}{4}\times 168=63\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{6}\times 180=48\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{6}\times 126=9\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  5. \(\frac{2}{6}\times\frac{6}{9}\times 216=48\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{3}{5}\times\frac{2}{5}\times 125=30\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  7. \(\frac{4}{6}\times\frac{3}{10}\times 480=96\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{4}{6}\times\frac{5}{6}\times 144=80\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{2}{5}\times\frac{6}{10}\times 300=72\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{8}\times 192=8\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  11. \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{8}\times 288=108\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{4}{10}\times\frac{4}{5}\times 150=48\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-01-08 15:52:13
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen