Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 320 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 196 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 400 dozen zijn \(\frac{3}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 294 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 336 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{7}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 252 werknemers zijn \(\frac{2}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 378 dozen zijn \(\frac{8}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 320 werknemers zijn \(\frac{4}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 140 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{8}\times 320=60\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{7}\times 196=32\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{3}{10}\times\frac{3}{5}\times 400=72\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  4. \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{6}\times 294=105\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{6}\times\frac{5}{8}\times 336=35\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{5}\times 60=16\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{6}\times 240=28\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{2}{7}\times\frac{2}{9}\times 252=16\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  9. \(\frac{8}{9}\times\frac{5}{6}\times 378=280\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{4}{10}\times\frac{3}{4}\times 320=96\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{5}\times 140=84\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{10}\times 120=24\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-04-24 04:15:01
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen