Reken uit
- \(\)In een school met 48 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 252 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 540 prullen zijn \(\frac{5}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 320 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 700 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 162 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 350 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 175 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 63 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 135 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 48=4\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{7}\times 252=36\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{5}{9}\times 540=250\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{10}\times 180=6\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{5}\times 320=56\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{5}{10}\times 700=300\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{3}\times 162=45\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{4}{5}\times 350=200\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{6}{7}\times 175=90\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{6}\times 144=24\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{3}\times 63=7\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{5}\times 135=18\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)