Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 900 werknemers zijn \(\frac{7}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 225 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 84 werknemers zijn \(\frac{4}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 72 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een bedrijf met 576 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 378 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 288 werknemers zijn \(\frac{5}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 280 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 486 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 112 dozen zijn \(\frac{3}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 300 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 140 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{10}\times\frac{2}{9}\times 900=140\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{5}\times 225=27\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  3. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{3}\times 84=16\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{3}{8}\times 72=18\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{7}{8}\times\frac{5}{8}\times 576=315\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  6. \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{9}\times 378=30\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{5}{6}\times\frac{4}{8}\times 288=120\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  8. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{5}\times 280=144\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{6}\times 486=135\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{4}\times 112=21\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{3}{6}\times\frac{7}{10}\times 300=105\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  12. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{4}\times 140=21\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-08-20 18:35:15
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen