Reken uit
- \(\)In een doos met 196 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 72 prullen zijn \(\frac{2}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 630 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{3}{9}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 225 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 700 prullen zijn \(\frac{6}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 75 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 168 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{5}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 567 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 80 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{7}\times 196=28\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{8}\times 72=30\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{9}{10}\times 630=405\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{6}{8}\times 216=54\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{5}\times 225=108\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{3}\times 144=32\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{10}\times\frac{1}{7}\times 700=60\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{3}\times 75=5\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{7}\times 168=16\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{4}\times 144=60\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{1}{7}\times 567=63\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{4}\times 80=15\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)