Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{1}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 75 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 324 werknemers zijn \(\frac{3}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 192 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 315 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 180 leerlingen zijn \(\frac{7}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 108 dozen zijn \(\frac{1}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 81 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{1}{5}\times\frac{5}{7}\times 210=30\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{3}\times 75=20\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{4}\times 324=81\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{4}\times 192=32\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{3}{7}\times 315=75\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{5}{10}\times 210=15\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{5}\times 200=128\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{1}{3}\times 180=42\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{4}\times\frac{7}{8}\times 288=189\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{9}\times 108=9\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 81=36\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{10}\times 150=15\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)