Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 200 werknemers zijn \(\frac{1}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 490 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{1}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 324 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 900 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 504 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{3}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 150 werknemers zijn \(\frac{3}{6}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{10}\times 210=21\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  2. \(\frac{1}{10}\times\frac{3}{5}\times 200=12\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  3. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{7}\times 490=90\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{1}{7}\times\frac{8}{9}\times 252=32\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  5. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{7}\times 210=20\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{8}\times 240=30\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{3}{6}\times\frac{5}{9}\times 324=90\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{10}\times 900=160\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{6}{9}\times\frac{7}{8}\times 504=294\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{4}\times 288=48\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{3}{6}\times\frac{4}{5}\times 150=60\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{10}\times 300=36\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-23 05:31:11
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen