Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een vrachtwagen met 100 dozen zijn \(\frac{2}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 105 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 48 prullen zijn \(\frac{3}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een vrachtwagen met 378 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 120 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 135 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 336 leerlingen zijn \(\frac{4}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 112 werknemers zijn \(\frac{3}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 216 werknemers zijn \(\frac{1}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{1}{4}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{4}\times 100=20\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  2. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{7}\times 105=10\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{6}\times 180=80\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  4. \(\frac{3}{4}\times\frac{1}{3}\times 48=12\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{5}{7}\times\frac{4}{6}\times 378=180\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{6}{8}\times 120=30\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{5}\times 135=42\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{3}{4}\times\frac{4}{6}\times 120=60\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{7}\times 336=128\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  10. \(\frac{3}{7}\times\frac{3}{4}\times 112=36\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{1}{9}\times\frac{2}{8}\times 216=6\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{5}\times 120=24\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-26 06:50:18
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen