Reken uit
- \(\)In een doos met 243 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 576 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 189 prullen zijn \(\frac{5}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 120 leerlingen zijn \(\frac{5}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 432 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 112 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 250 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 189 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 270 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{6}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 135 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{3}\times 243=90\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{4}{9}\times 576=128\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{5}{9}\times\frac{4}{7}\times 189=60\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{5}\times 120=60\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{6}\times\frac{5}{9}\times 432=200\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{4}\times 112=8\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{4}{6}\times 240=64\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{8}{10}\times 250=120\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{5}{7}\times\frac{7}{9}\times 189=105\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{6}{9}\times 270=72\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{3}{4}\times 120=36\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{3}\times 135=36\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)