Reken uit
- \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{3}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 225 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 324 leerlingen zijn \(\frac{3}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 540 leerlingen zijn \(\frac{7}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 72 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 560 werknemers zijn \(\frac{4}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 147 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 432 leerlingen zijn \(\frac{3}{8}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 210 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 252 prullen zijn \(\frac{4}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{9}\times 252=12\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{5}\times 225=27\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{2}{4}\times 324=54\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{7}{9}\times\frac{4}{10}\times 540=168\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{7}{8}\times 72=42\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{8}\times\frac{2}{7}\times 560=80\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{2}{5}\times 150=20\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{6}\times 90=27\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
- \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{7}\times 147=24\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{9}\times 432=18\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{1}{10}\times 210=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{4}{6}\times\frac{5}{6}\times 252=140\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)