Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een school met 196 leerlingen zijn \(\frac{2}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 350 prullen zijn \(\frac{3}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 486 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 160 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 81 prullen zijn \(\frac{1}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 270 dozen zijn \(\frac{2}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 400 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 180 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 300 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 48 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 147 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{7}\times\frac{3}{4}\times 196=42\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  2. \(\frac{3}{7}\times\frac{5}{10}\times 350=75\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  3. \(\frac{4}{9}\times\frac{7}{9}\times 486=168\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{6}{8}\times\frac{2}{4}\times 160=60\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{1}{9}\times\frac{1}{3}\times 81=3\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{2}{6}\times\frac{3}{5}\times 270=54\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{3}{5}\times\frac{7}{8}\times 400=210\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{5}\times 180=18\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  9. \(\frac{4}{10}\times\frac{5}{6}\times 300=100\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  10. \(\frac{1}{3}\times\frac{1}{4}\times 48=4\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{4}{5}\times\frac{4}{6}\times 240=128\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{3}\times 147=28\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-20 00:04:41
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen