Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 336 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een vrachtwagen met 48 dozen zijn \(\frac{1}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 54 leerlingen zijn \(\frac{1}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 175 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 400 dozen zijn \(\frac{4}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 504 prullen zijn \(\frac{7}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 108 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een bedrijf met 288 werknemers zijn \(\frac{4}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 120 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{8}\times\frac{6}{7}\times 336=36\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{3}\times 60=32\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{4}\times 48=8\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  4. \(\frac{1}{3}\times\frac{4}{6}\times 54=12\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{7}\times 175=30\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  6. \(\frac{4}{5}\times\frac{7}{10}\times 400=224\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{3}\times 168=21\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{7}{9}\times\frac{2}{8}\times 504=98\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  9. \(\frac{1}{4}\times\frac{4}{9}\times 108=12\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{4}{6}\times\frac{5}{6}\times 288=160\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  11. \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{5}\times 120=18\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{1}{7}\times\frac{1}{3}\times 105=5\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-24 01:56:16
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen