Reken uit
- \(\)In een doos met 336 prullen zijn \(\frac{5}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 567 prullen zijn \(\frac{2}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{7}{9}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 480 dozen zijn \(\frac{4}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 420 dozen zijn \(\frac{6}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 60 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 480 prullen zijn \(\frac{2}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 224 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 100 leerlingen zijn \(\frac{4}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 450 prullen zijn \(\frac{3}{9}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een bedrijf met 160 werknemers zijn \(\frac{8}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 175 prullen zijn \(\frac{2}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{6}\times 336=140\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{7}\times\frac{7}{9}\times 567=126\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{5}{10}\times 240=80\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{10}\times\frac{6}{8}\times 480=144\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
- \(\frac{6}{7}\times\frac{4}{6}\times 420=240\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{4}\times 60=9\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{6}\times\frac{6}{8}\times 480=120\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{5}{8}\times\frac{2}{4}\times 224=70\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{5}\times 100=48\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{3}{9}\times\frac{3}{5}\times 450=90\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{8}{10}\times\frac{1}{4}\times 160=32\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
- \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{7}\times 175=20\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)