Reken uit
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{4}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 200 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{9}{10}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
- \(\)In een vrachtwagen met 900 dozen zijn \(\frac{1}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 200 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 210 prullen zijn \(\frac{7}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 225 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 216 prullen zijn \(\frac{8}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
- \(\)In een school met 162 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 45 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
- \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
Reken uit
Verbetersleutel
- \(\frac{4}{7}\times\frac{1}{3}\times 210=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{5}\times\frac{9}{10}\times 200=36\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
- \(\frac{1}{10}\times\frac{4}{9}\times 900=40\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
- \(\frac{4}{5}\times\frac{3}{4}\times 200=120\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{7}{10}\times\frac{3}{7}\times 210=63\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{1}{9}\times\frac{1}{5}\times 225=5\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
- \(\frac{8}{9}\times\frac{6}{8}\times 216=144\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
- \(\frac{1}{4}\times\frac{3}{5}\times 140=21\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{6}\times 162=18\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
- \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{3}\times 45=20\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{2}{4}\times\frac{8}{9}\times 360=160\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
- \(\frac{1}{8}\times\frac{3}{10}\times 240=9\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)