Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 315 werknemers zijn \(\frac{1}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een bedrijf met 81 werknemers zijn \(\frac{8}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 189 leerlingen zijn \(\frac{5}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 630 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 500 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 90 werknemers zijn \(\frac{2}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 729 stukken snoepgoed zijn \(\frac{7}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een doos met 343 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{7}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 192 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 336 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{5}\times 315=18\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  2. \(\frac{8}{9}\times\frac{2}{3}\times 81=48\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  3. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{3}\times 189=90\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{3}{10}\times\frac{4}{7}\times 630=108\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  5. \(\frac{5}{10}\times\frac{3}{5}\times 500=150\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{2}{5}\times\frac{2}{3}\times 90=24\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{7}{9}\times\frac{3}{9}\times 729=189\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  8. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{6}\times 144=32\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  9. \(\frac{1}{7}\times\frac{3}{7}\times 343=21\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  10. \(\frac{3}{8}\times\frac{3}{6}\times 192=36\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{5}\times 120=16\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  12. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{8}\times 336=112\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-15 18:25:47
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen