\(\)In een school met 150 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
\(\frac{1}{5}\times\frac{1}{5}\times 150=6\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)