\(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
\(\frac{4}{7}\times\frac{4}{6}\times 252=96\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)