Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 432 prullen zijn \(\frac{7}{9}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 360 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{1}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 144 leerlingen zijn \(\frac{3}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 225 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 280 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 405 dozen zijn \(\frac{5}{9}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een vrachtwagen met 210 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 250 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 450 leerlingen zijn \(\frac{5}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 420 werknemers zijn \(\frac{7}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een bedrijf met 504 werknemers zijn \(\frac{6}{9}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{7}{9}\times\frac{3}{6}\times 432=168\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  2. \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{5}\times 360=96\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{6}\times\frac{4}{6}\times 288=32\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  4. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{3}\times 144=48\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  5. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{9}\times 225=20\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{2}{4}\times\frac{6}{7}\times 280=120\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  7. \(\frac{5}{9}\times\frac{2}{9}\times 405=50\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  8. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{7}\times 210=40\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  9. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{5}\times 250=40\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{5}{10}\times\frac{1}{5}\times 450=45\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{7}{10}\times\frac{5}{7}\times 420=210\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{6}{9}\times\frac{7}{8}\times 504=294\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-02-12 12:09:20
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen