Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 105 prullen zijn \(\frac{4}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{2}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 140 prullen zijn \(\frac{5}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 144 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 168 leerlingen zijn \(\frac{4}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 160 prullen zijn \(\frac{3}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 48 werknemers zijn \(\frac{3}{4}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 125 werknemers zijn \(\frac{3}{5}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een vrachtwagen met 540 dozen zijn \(\frac{4}{6}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{10}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 80 leerlingen zijn \(\frac{1}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 126 prullen zijn \(\frac{1}{6}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 504 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{5}\times\frac{1}{3}\times 105=28\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  2. \(\frac{2}{9}\times\frac{5}{7}\times 252=40\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  3. \(\frac{5}{7}\times\frac{1}{4}\times 140=25\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{2}{4}\times\frac{2}{6}\times 144=24\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  5. \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{8}\times 168=36\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  6. \(\frac{3}{8}\times\frac{1}{5}\times 160=12\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{3}{4}\times\frac{2}{4}\times 48=18\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{5}\times 125=15\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{4}{6}\times\frac{4}{10}\times 540=144\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  10. \(\frac{1}{5}\times\frac{1}{4}\times 80=4\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  11. \(\frac{1}{6}\times\frac{4}{7}\times 126=12\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{6}{8}\times\frac{3}{9}\times 504=126\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-05-20 16:40:23
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen