Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 240 werknemers zijn \(\frac{1}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 60 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{6}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{4}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  4. \(\)In een doos met 294 prullen zijn \(\frac{1}{7}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 324 prullen zijn \(\frac{3}{6}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 168 prullen zijn \(\frac{6}{7}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 48 leerlingen zijn \(\frac{1}{4}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 540 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{6}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{9}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 280 werknemers zijn \(\frac{5}{8}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 240 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 224 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 112 leerlingen zijn \(\frac{6}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{1}{6}\times\frac{1}{10}\times 240=4\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{2}{4}\times\frac{4}{5}\times 60=24\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{6}{9}\times\frac{4}{8}\times 288=96\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  4. \(\frac{1}{7}\times\frac{2}{6}\times 294=14\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  5. \(\frac{3}{6}\times\frac{2}{6}\times 324=54\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{6}{7}\times\frac{3}{8}\times 168=54\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  7. \(\frac{1}{4}\times\frac{2}{4}\times 48=6\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  8. \(\frac{2}{6}\times\frac{8}{9}\times 540=160\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  9. \(\frac{5}{8}\times\frac{4}{5}\times 280=140\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  10. \(\frac{6}{10}\times\frac{6}{8}\times 240=108\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  11. \(\frac{1}{4}\times\frac{7}{8}\times 224=49\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  12. \(\frac{6}{7}\times\frac{2}{4}\times 112=48\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-07-20 16:06:37
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen