Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een bedrijf met 360 werknemers zijn \(\frac{4}{5}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{8}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 105 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 120 stukken snoepgoed zijn \(\frac{6}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 210 werknemers zijn \(\frac{5}{7}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{6}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 280 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{7}{10}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  6. \(\)In een bedrijf met 504 werknemers zijn \(\frac{1}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  7. \(\)In een bedrijf met 72 werknemers zijn \(\frac{2}{3}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 300 werknemers zijn \(\frac{5}{10}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 540 leerlingen zijn \(\frac{8}{9}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 252 leerlingen zijn \(\frac{5}{6}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{1}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 180 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een school met 288 leerlingen zijn \(\frac{3}{4}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{5}\times\frac{2}{8}\times 360=72\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  2. \(\frac{1}{5}\times\frac{2}{3}\times 105=14\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  3. \(\frac{6}{8}\times\frac{1}{3}\times 120=30\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{6}\times 210=50\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  5. \(\frac{1}{4}\times\frac{7}{10}\times 280=49\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  6. \(\frac{1}{9}\times\frac{2}{7}\times 504=16\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  7. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{3}\times 72=16\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  8. \(\frac{5}{10}\times\frac{3}{10}\times 300=45\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{8}{9}\times\frac{1}{10}\times 540=48\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{5}{6}\times\frac{1}{7}\times 252=30\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{1}{5}\times\frac{3}{4}\times 180=27\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{3}{4}\times\frac{6}{8}\times 288=162\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
Oefeningengenerator wiskundeoefeningen.be 2026-03-30 06:16:25
Een site van Busleyden Atheneum Mechelen